In de engelenbak

Definitie van een ‘schellinkje’: een staanplaats met beperkt zicht op het podium en een onvolkomen geluid. Minister Plasterk (PvdA) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, pleitte vorige week voor de terugkeer van het schellinkje bij de podiumkunsten. Maar was het ooit weg? Wie ooit een stadionoptreden van een popgroep heeft meegemaakt, moet constateren dat er zeer grote aantallen mensen zijn die bereid zijn veel geld te betalen om onder schellinkje-omstandigheden een concert te bezoeken. De artiest is moeilijk waarneembaar, het geluid niet al te best en gestaan wordt er regelmatig.

Het enige dat aan de definitie ontbreekt is ‘goedkoop’, want het bedrag dat de liefhebber bereid is te betalen is fors. Voor de acht concerten die Marco Borsato vorig jaar gaf in de Arnhemse Gelredome (waar men overigens ook kon zitten) liepen de officiële prijzen op tot 65 euro per kaartje, exclusief extra kosten. Zo’n 300.000 mensen kwamen kijken. Dat is, geloof het of niet, rond de drie procent van de bevolking tussen 15 en 65 jaar. Populaire artiesten als Frans Bauer of het driemanschap Gordon, Gerard Joling en René Froger hanteren soortgelijke concertprijzen. De drie laatstgenoemde ‘toppers’ kregen vorig jaar met groot gemak een paar stadions vol. De lage podiumkunsten hebben hun eigen crisis: muziek verkoopt door de komst van internet slechter, zodat vooral optredens nu voor de inkomsten moeten zorgen. Door daar avondvullende evenementen van te maken houdt deze branche de voeten droog.

Plasterks opmerking ging over de noodzaak van prijsdifferentiatie bij de ‘hoge’ podiumkunsten. Door het profijtbeginsel beter toe te passen, zou een voorgenomen bezuiniging van vijftig miljoen euro op toneel en (klassieke) concerten zonder veel schade kunnen worden geabsorbeerd. Dat gaat voorbij aan twee ontwikkelingen. De eerste is dat prijsdifferentiatie allang wordt toegepast: ouderen en jongeren bijvoorbeeld betalen in de regel veel minder dan andere bezoekers, en in de zalen zijn vaak verschillende soorten zitplaatsen.

Veel producten en diensten kunnen profiteren van verbeteringen als automatisering, procesverbetering of schaalgrootte. Podiumkunsten kunnen dat niet of nauwelijks. De tweede ontwikkeling is dan ook dat de podiumkunsten wetmatig sneller in prijs stijgen dan het algemene prijspeil. Een toegangsbewijs voor deze kunstvormen zou nu al zonder subsidie onbetaalbaar zijn en dat zal zo doorgaan.

De Nederlander heeft intussen, zo toont Borsato, geld genoeg over voor andere vormen van vermaak. Het is dus maar de vraag of verdere prijsdifferentiatie in de hoge podiumkunsten helpt. Men zal toneel en klassiek moeten leren kennen en waarderen om het te gaan bezoeken. In die verheffingsgedachte was de sociaal-democratie van oudsher sterk. Subsidies zijn er daarom niet alleen om de podiumkunsten levensvatbaar te houden, maar ook om ze in prijs te laten concurreren met de alternatieven in de Gelredome en de Arena. Er zal altijd geld bij moeten – en waarschijnlijk ook steeds meer. Dat is een keuze. Wie daarentegen vijftig miljoen euro bezuinigt, maakt een andere keuze. Zo simpel is het.