Het wordt tijd voor echt milieubeleid

Wie radicale veranderingen wil, zal radicale maatregelen moeten nemen. En dat kan alleen de overheid doen, schrijven Siegwart Lindenberg, Ton Schoot Uiterkamp, Linda Steg en Arjen van Witteloostuijn.

Het bedrijfsleven roert zich de laatste tijd als pleitbezorger van rigoureuze milieumaatregelen. Voorbeelden zijn de brief van vaderlandse bedrijfskopstukken, een vraaggesprek met Shell-topman Rein Willems en een opiniebijdrage van Shell-opperhoofd Jeroen van der Veer. In het voetspoor van Al Gore en vooruitlopend op de recente IPCC-klimaatrapportage luidden zij de noodklok.

De roep om radicaal milieubeleid is begrijpelijk: het klimaat verandert razendsnel, gas en olie raken op en plant- en diersoorten sterven in ongekend hoog tempo uit. De versnelling is enorm, doordat de vervuilende westerlingen gezelschap hebben gekregen van miljarden olielustige Aziatische medewereldburgers.

Helaas, een déjà-vugevoel valt niet te onderdrukken. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw zwelt de discussie over naderende milieurampen en de noodzaak van drastisch ingrijpen periodiek aan. Maar het resultaat van deze opwinding is vrijwel altijd een serie ultra-ambitieuze doelstellingen van allerlei belangrijke kopstukken en organen. Deze keer hebben de Europese regeringsleiders laten weten dat de uitstoot van CO2 in 2020 met 20 procent gedaald moet zijn ten opzichte van 1990. Afgelopen maand heeft de Amerikaanse president George W. Bush afgekondigd dat het gebruik van gas en olie in de Verenigde Staten met twintig procent omlaag moet.

De geschiedenis heeft echter geleerd dat het uitroepen van onhaalbare doelstellingen louter tot teleurstellingen leidt. Dat komt omdat radicale doelen niet worden gekoppeld aan radicaal beleid. Een ecotaksje hier en een CO2-veilinkje daar zetten te weinig zoden aan de dijk.

Wat ook niet helpt, is dat iedereen de nationale concurrentiepositie scherp in het oog houdt. Zo schreeuwde Schiphol moord en brand vanwege het kabinetsvoornemen om een bescheiden milieuheffinkje op vliegen in te voeren. Omdat niemand voor de troepen uit wil lopen, prutst iedereen gezellig door in de achterhoede. Een klassiek prisoner’s dilemma is geboren: de verschillende nationale staten houden elkaar in de houdgreep in de kelder van marginaal milieubeleid.

Helaas blijft het energiebeleid ook in Nederland ver achter bij alle gedeclameerde ambities. Van de 500 miljoen euro extra over vier jaar, zoals in het nieuwe regeerakkoord staat gemeld, kunnen geen wonderen worden verwacht. De recente doorrekening van de kabinetsplannen door het Milieu- en Natuurplanbureau maakt dat overduidelijk. Het is hooguit een mooi begin dat om een krachtdadig vervolg vraagt. Anders liggen weer jaren van gescharrel in de marge in het verschiet – een gemiste kans.

De tijd is rijp voor radicaal ingrijpen. Terwijl de Europese regeringsleiders bezig zijn hun plannen uit te werken hoe zij die 20 procent CO2-reductie kunnen halen – moet de internationale scheep- en luchtvaart er ook bij, welke landen kunnen meer en welke minder bijdragen – moet Nederland maar weer eens zijn oude rol van gidsland vervullen.

Vaak wordt geroepen dat duurzame energie te duur is. Dat is een misverstand: fossiele brandstoffen zijn te goedkoop. Zo wordt de milieuschade die gepaard gaat met winning, verwerking, vervoer en gebruik van olie niet in de prijs berekend. Het kwartje van Kok is daarbij een lachertje.

Veel van de kosten worden stilzwijgend door de gemeenschap opgebracht. De toch al rijke oliesector wordt op grote schaal gesubsidieerd. In 2006 kreeg de US Senate Foreign Relations Committee te horen dat jaarlijks 50 miljard dollar wordt uitgegeven aan het beschermen van de olieroutes uit het Midden-Oosten.

Een ander misverstand is dat het bedrijfsleven uit zichzelf zoveel investeert in duurzaamheid. Was dat maar waar. Shell heeft inderdaad in de afgelopen vijf jaren een miljard dollar geïnvesteerd in duurzame energie, zoals biobrandstof en zonne-energie. Daar staat echter een veelvoud aan investeringen in fossiele brandstoffen tegenover. Alleen al in het aardgasverslindende teerzandproject in Canada is meer dan vijf miljard dollar gestoken.

Zolang consumenten in benzineslurpende tankachtige vierwielers blijven rijden en zolang bedrijven in het licht van een dreigende verslechtering van de concurrentiepositie met de rem erop investeren in milieubeschermende technologieën, zullen ook de nieuwste megadoelstellingen straks weer holle prietpraat blijken. De enige oplossing is daarom een mondiaal pakket van maatregelen die direct ingrijpen op het gedrag van consumenten en producenten. Van alleen een moreel beroep op het milieugeweten valt weinig te verwachten.

In de eerste plaats moet het belastingstelsel volledig op zijn kop worden gezet. De kosten van de milieueffecten van diensten en producten dienen volledig in de prijzen tot uitdrukking te komen. Dat is jammer voor de leden van de BOVAG en voor Schiphol, maar het de facto zwaar subsidiëren van milieu-onvriendelijke gedragingen is niet meer van deze tijd.

Tegelijkertijd kan de belasting op arbeid en milieuvriendelijkheid omlaag – hier en daar misschien zelfs naar nul. Het doel is niet om de totale belastingdruk op te schroeven, maar om de verdeling van deze druk correct de milieueffecten van wat wordt belast, te laten weerspiegelen. De aanpassingen van het gedrag van bedrijven en consumenten komen vervolgens vanzelf tot stand. Zo zit het menselijke prikkelsysteem nu eenmaal in elkaar.

In de tweede plaats moeten de publieke investeringen in duurzaamheid worden verveelvoudigd. De hoopvolle blik in de richting van het bedrijfsleven is van een verbluffende naïviteit. Bedrijven zijn geen filantropen. De productie van publieke goederen moet via het publieke domein worden georganiseerd. Anders zijn slechts onderproductie en onderinvestering te verwachten. Het is hoog tijd voor een megaplan ten behoeve van investeringen in duurzame technologieën. Niet alleen kan met behulp van een drastische verhoging van de publieke investeringen het beoogde budget worden gehaald, maar daarnaast zullen de vruchten van deze investeringen publiek eigendom zijn zodat iedereen ervan kan profiteren.

In de derde plaats moet maatschappelijk verantwoord ondernemen van zijn vrijblijvende status worden afgeholpen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen zou voortaan een plicht moeten zijn – en niet een vorm van vrijblijvende vrijwilligheid.

Dat betekent dat de spelregels in het bedrijfsleven moeten worden omgebouwd. Geïntegreerde jaarverslagen moeten verplicht worden gemaakt, inclusief de rapportage van een reeks vaste milieukengetallen. De eindverantwoordelijkheid voor de milieuportefeuille zou in handen moeten liggen van de voorzitter van de Raad van Bestuur. In de Raad van Commissarissen zou ten minste één milieucommissaris zitting moeten hebben. Milieuorganisaties moeten een stem krijgen tijdens een jaarlijkse Vergadering van Belanghebbenden.

De Europese Unie heeft ambitieuze doelstellingen gelanceerd. Europa is groot genoeg om een eigenwijze koers te varen. Het Nederlandse regeerakkoord is direct bij het begin van de rit aan een radicale bijstelling toe.

Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de Universiteit van Antwerpen. Siegwart Lindenberg, Ton Schoot Uiterkamp en Linda Steg zijn verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen als hoogleraar sociologie, hoogleraar milieukunde, respectievelijk universitair docent psychologie.