Geen gebrek aan leiding in klimaatdebat

Politici lijken steeds meer doordrongen van de noodzaak om klimaatverandering tegen te gaan. Maar als het gaat om concrete maatregelen blijkt er een verschil te bestaan tussen theorie en praktijk.

In een van zijn laatste toespraken, eind vorig jaar, sprak toenmalig VN-chef Kofi Annan van een „beangstigend gebrek aan leiderschap” in het wereldwijde klimaatdebat. Nog maar één warme winter later buitelen de – zelfgekozen – leiders over elkaar heen.

Zo is daar de Duitse bondskanselier Angela Merkel. Klimaatverandering is volgens haar „een serieus, langdurig, wereldwijd probleem, dat niet op de gebruikelijke manier kan worden opgelost”, zoals ze onlangs zei in de Süddeutsche Zeitung. Toevallig is ze op dit moment zowel voorzitter van de Europese Unie als van de G8, de rijke, geïndustrialiseerde landen. Ze ziet het als haar taak om klimaatverandering via beide instellingen hoog op de agenda te zetten. Op de top van Europese regeringsleiders is dat vorige week goed gelukt. Daar werd besloten tot een vergaand klimaatplan (onder andere een reductie van de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 20 procent ten opzichte van 1990 – dat bij alle plannen als ijkjaar wordt gebruikt).

Maar Merkel kan absoluut niet op tegen de Britse premier Tony Blair. Als we niet snel iets ondernemen „plegen we verraad aan de komende generaties”, vindt Blair, „en dat wil ik niet op mijn geweten hebben”. De Britse regering wil daarom „de wereld aanvoeren bij de bestrijding van klimaatverandering” en heeft het voornemen om het onderwerp ook in de Veiligheidsraad van de VN aan te kaarten. Brussel besluit om in 2020 te komen tot een reductie van 20 procent. De Britse regering gaat daar vandaag overheen met een reductie van maar liefst 60 procent in 2050.

Zelfs de Amerikaanse president George Bush probeert, sinds hij vorig jaar heeft ontdekt dat zijn landgenoten „verslaafd aan olie” zijn, de wereld duidelijk te maken dat geen land ter wereld zulke krachtige maatregelen neemt om het klimaat in toom te houden als de Verenigde Staten. Bush heeft weliswaar het Kyoto-protocol afgewezen – waarin afspraken zijn gemaakt over een beperkte terugdringing van broeikasgassen – maar ten onrechte wordt volgens Bush’ woordvoerders de indruk gewekt dat „de bezorgdheid van de president over klimaatverandering nieuw is”. In een brief schreef het Witte Huis vorige maand: „In feite is klimaatverandering voor de president al vanaf zijn aantreden een topprioriteit geweest. Sinds juni 2001 heeft president Bush gezegd dat er sprake is van klimaatverandering en dat de mens daaraan bijdraagt.”

Maar achter de grote woorden van regeringsleiders gaat een weerbarstige werkelijkheid schuil. Zoals blijkt uit een paar simpele voorbeelden.

Daags na de top in Brussel opperde Europees Commissaris Stavros Dimas (Milieu) nog maar eens dat Duitsland, net als de rest van de wereld, een snelheidslimiet zou moeten invoeren op snelwegen – een eenvoudige maatregel om de CO2-uitstoot (een beetje) terug te dringen. Maar de Duitse regering heeft onmiddellijk laten weten daar niets voor te voelen.

Europa wil de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 20 procent hebben gereduceerd. Dat is veel meer dan de 8 procent in 2012 waaraan de landen zich hebben gecommitteerd op basis van het Kyoto-protocol. Uit cijfers van Eurostat, het Europese bureau voor de statistiek, blijkt dat sommige EU-landen nog ver achter liggen op dit schema en juist méér in plaats van minder broeikasgassen uitstoten.

De Amerikaanse regering wil de industrie- en transportsector op basis van vrijwilligheid overhalen tot een forse CO2-reductie. Maar uit een Amerikaans rapport aan de Verenigde Naties blijkt dat de VS in werkelijkheid verwachten in 2020 ongeveer 9,2 miljard ton broeikasgassen te produceren. In 2000 was dat nog 7,7 miljard ton. Dat is dus geen reductie, maar een stijging met bijna 20 procent.

Ook de cijfers van Europees klimaatkampioen Groot-Brittannië bieden een heel ander beeld dan de regering suggereert. De krant The Guardian en tv-zender Channel 4 vroegen milieuwetenschappers van het Londense University College het Britse beleid onder de loep te nemen. Zij concluderen dat de ramingen van de regering veel te optimistisch zijn. Met een kleine extra inspanning hebben de Britten in 2050 de doelstellingen gehaald die ze voor 2020 van plan waren.