Archeologie is te populair geworden

Steeds meer studenten en steeds minder docenten, dat is de toestand aan de universitaire opleidingen archeologie. Een studie in opdracht van OC&W luidt de noodklok.

Het onderzoek en het onderwijs in archeologie aan de Nederlandse universiteiten staan onder grote druk. Want het aantal studenten is de laatste jaren flink gestegen, maar het aantal docenten en onderzoekers is juist sterk gedaald. Het ministerie van OCW maakt zich hier zorgen om. De verhouding docent/student bij archeologie nu 1 op 29. De gangbare ratio in het wetenschappelijk onderwijs is 1 op 8.

Dit blijkt allemaal uit ‘Malta’ en het universitaire onderwijs en onderzoek, een nog niet gepubliceerde studie door een projectgroep van de Rijksdienst voor Archeologie (RACM), in opdracht van OCW.

De studie brengt de ontwikkelingen in de universitaire archeologie in kaart na ondertekening van het Verdrag van Malta in 1992. Dat verdrag verplicht projectontwikkelaars om bij bouw- en infrastructuurprojecten archeologisch onderzoek te laten doen. Door de opkomst van van deze commerciële archeologie is het aantal banen in de archeologie de afgelopen jaren sterk gestegen. Mede daardoor is archeologie een populaire studie geworden, want tegen de trend bij Letteren in is het aantal aanmeldingen in tien jaar tijd meer dan verdrievoudigd naar ruim 200 in 2004. In totaal telden de verschillende archeologiestudies in 2004 ongeveer 750 studenten. De afgelopen twee jaar is de stijging afgenomen en is de situatie stabiel. Het aantal stafleden is echter tussen 1994 en 2004 als gevolg van afslankingen en bezuinigingen bij de universiteiten sterk afgenomen. Bij de opleiding voor de archeologie van Noordwest-Europa zijn bijna 17 voltijdsbanen verdwenen, een daling van bijna vijftig procent. Als gevolg hiervan zijn verschillende specialisaties verdwenen.

Onderwijs en onderzoek komen hierdoor ernstig in het gedrang. Dat bevestigt ook Willem Willems, decaan van de Faculteit Archeologie van de Universiteit Leiden. „Er is bijna geen tijd meer voor practica. Verder komen de archeologen in het weekend en in de vakanties naar de universiteit om tijd voor hun eigen onderzoek vrij te maken.”

Tot nu toe hebben de wetenschappelijke resultaten er nog niet onder te lijden. Bij de laatste visitaties kregen de archeologische instituten aan de verschillende universiteiten goede tot uitmuntende beoordelingen. Maar wie zijn oor bij de universitaire archeologen te luisteren legt hoort al snel verhalen over te veel onderwijs, te veel scripties begeleiden, te weinig tijd voor onderzoek en bijna overspannen zijn. Een enkeling vraagt zich af of het in het buitenland niet beter is.

Jos Bazelmans van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) en projectleider van de studie ‘Malta’ en het universitaire onderwijs en onderzoek liet vorig jaar bij een voorlopige presentatie van de studie weten dat de universiteiten er niet op moeten rekenen dat OCW met extra geld komt. Ze zullen vooral zelf met (financiële) oplossingen moeten komen.

“De Universiteit Leiden heeft sinds kort een nieuw financieringsmodel. Archeologie, dat tegenwoordig ook veel bèta- en gammaonderdelen kent, krijgt hierdoor meer geld,” zegt Willems. “Maar dat is niet genoeg,” denkt Sijbelt Noorda, voorzitter van VSNU, de vereniging van universiteiten. “Bij de alfa-opleidingen bestaan bijna geen potlood-en-papieropleidingen meer. Archeologie is dus niet de enige opleiding die meer geld voor bijzondere voorzieningen nodig heeft.”

Noorda ziet zowel voor de universiteiten en OCW een taak om het probleem bij archeologie op te lossen. “Archeologie is nu verdeeld over vijf universiteiten. De universiteiten moeten daarom overleggen of er niet meer samenwerking of zelfs samenvoeging mogelijk is. Maar OCW moet met geldelijke steun ervoor zorgen dat een wetenschappelijke synthese gemaakt wordt van de opgravingsrapporten van al die Malta-opgravingen. Dat is een beschavingsplicht.”

Het ministerie heeft voorlopig alleen het plan om de vijf universiteiten met een archeologische vakgroep uit te nodigen voor een gesprek over hun financiële problematiek en een mogelijke kennisvlucht naar het buitenland.