Snelkookpan voor de kunsthandel

De kunstbeurs Tefaf trekt ieder jaar zo’n 80.000 bezoekers. Handelaren, wetenschappers, museumdirecteuren en rijke particulieren komen bijzondere kunst in het echt bekijken. „Je kunt met je vingers het glazuur of de lak voelen.”

In de Maastrichtse congreshal Mecc ligt tussen de wandelstraten Fifth Avenue en Faubourg Saint Honoré een barretje tussen de onafzienbare reeks oude landschappen, portretten en stillevens. Bezoekers vleien zich tegen de hoge ronde tafeltjes – „,Zullen we hier even hangen?” – waarop lege champagneglazen staan en borden met kale oesterschelpen.

Een lange man buigt zich over naar Karel Schampers, directeur van het Frans Halsmuseum. „We gaan samen wat doen, hé?”, zegt hij met een stem die makkelijk boven het geroezemoes uitkomt. „Ik vind lang niet alles de moeite waard, maar twee of drie dingen wel. Daar hoort jullie schilderij zeker bij. Ik wil me hiervoor inzetten.” De spreker is Frits Duparc, directeur van museum Het Mauritshuis en een sleutelfiguur in de Nederlandse museumwereld.

Het besproken schilderij is het Landschap met een episode uit de verovering van Amerika van Jan Mostaert (ca. 1550), dat is teruggeven aan de erven-Goudstikker. Schampers mompelt instemmend. Als Duparc na een warme schouderklop is doorgelopen, licht Schampers toe: „We kunnen misschien wat doen met het Nationaal Aankoopfonds. Dit schilderij is belangrijk cultureel erfgoed.”

Natuurlijk wordt er al heel lang op allerlei plekken gesproken over de Goudstikker-kwestie. Maar hier op de Tefaf, de kunstbeurs die tot en met komende zondag wordt gehouden, gebeurt dat vaker en door veel meer mensen dan waar ook in de kunstwereld. Dat is typerend voor de Tefaf, waar jaarlijks 80.000 bezoekers kijken naar topstukken van gezamenlijk enkele miljarden euro. „De Tefaf is verreweg de belangrijkste kunstbeurs ter wereld”, zegt David Kusin van het gelijknamige Amerikaanse onderzoeksbureau voor de kunstmarkt: „Alleen de Art Basel in Miami, de beurs voor hedendaagse kunst, komt enigszins in de buurt.”

Onder de bezoekers zijn verzamelaars, museumdirecteuren, verzekeraars, bankiers, wetenschappers, conservatoren, veilingmeesters en handelaren. Alle grote spelers zijn er, van Noord- en Zuid-Amerika tot Japan en Italië. Zij hebben in het dagelijks leven al veel met elkaar te maken. „De meer dan tweehonderd standhouders zijn allemaal klant van ons”, zegt chairman Eline van Oirschot van het veilinghuis Sotheby’s Nederland. Hier in in deze snelkookpan van de kunsthandel kunnen de spelers veel intensiever kijken, kopen en kleppen dan waar ook.

De kunstkoper

De Tetaf oogt op de openingsdag als een mengeling van markt en receptie. Op een bank in de Champs Elysées rekt een dame zich verveeld uit. Ze werpt een blik op een Italiaans landschap van Jan Both, waar de Nederlands-Britse kunsthandelaar Johnny van Haeften met precieuze gebaren uitleg geeft aan een klant. Haar man is verzamelaar van kunst, maar heeft geen behoefte aan een toelichting. Hetzelfde geldt voor twee buikige mannen, die niet meer kwijt willen dan dat ze voor de „schoonheid” komen en „soms wat kopen”.

De kunstverzamelaar in Maastricht praat niet graag. De Italiaanse ex-premier Berlusconi lijkt een uitzondering. De Telegraaf meldde vanmorgen dat hij onder meer Het oordeel van Paris van Giovanni Odazzi heeft gekocht.

De wetenschapper

Een lange man valt met zijn linnen tasje en nonchalante kleding wat uit de toon. Het is de historicus en oud-archivaris Bas Dudok van Heel, die vorig jaar promoveerde op Rembrandt: „Mijn hoofdwerk is een studie naar portretten van het Amsterdamse patriciaat van de 14e tot de 19e eeuw.” Hij wijst op twee portretten die boven elkaar hangen in de stand van Johnny van Haeften: „Ik kende ze van zwart-witplaatjes.”

Dudok van Heel wandelt naar de stand van The Weiss Gallery, waar een portret hangt van Jacob Claesz Basgen, burgemeester van Amsterdam in de 16e eeuw. „Een portret van zijn vader ontdekte ik jaren terug in de Verenigde Staten, maar ik was net te laat om het Amsterdams Historisch Museum te waarschuwen.” Dit portret van de zoon is te duur voor het Amsterdamse museum dat wel een kleinere versie ervan heeft.

De wetenschapper verzamelt hier afbeeldingen van portretten. „Ik heb er al zeven. Een mooie oogst”, zegt Dudok van Heel. De handelaren hebben er belang bij. Elk schilderij wint aan waarde door een wetenschappelijke beschrijving – vandaar de vermelding van de publicaties in de verkoopcatalogus. Historische achtergronden over de mensen die staan afgebeeld geven schilderijen bovendien een ‘verhaal’ dat de aantrekkelijkheid verder verhoogt.

De conservator

In de dagen voorafgaand aan de beurs zijn verschillende commissies bezig geweest met de keuring van het aanbod. De kunstexperts kijken naar de kwaliteit en de herkomst van de voorwerpen. Tot de keurmeesters behoorde Thimo te Duits, conservator toegepaste kunst van de twintigste eeuw van Museum Boijmans van Beuningen. „Dit is de ideale gelegenheid om met vakgenoten te discussiëren”, zegt Te Duits. Natuurlijk bezoekt hij ook congressen, maar zegt hij: „Praten bij beelden van de overheadprojector is wat anders dan praten terwijl je het object kunt aanraken. Je kunt met je vingers het glazuur of de lak voelen en zo verse restauraties waarnemen. Hier heb je meer zintuiglijke waarnemingen dan alleen de visuele.”

Keuren behoort tot zijn dagelijks werk. Handelaren vragen zijn mening over een voorwerp, net als veilinghuizen. „Het is de taak van een publieke instelling om expertise te delen”, zegt Te Duits. Het past ook in de warme banden met de handelaren, die stukken met museale kwaliteit vaak voor een redelijk bedrag aanbieden: „Handelaren hebben graag een goed museum als klant.”

Misschien dat het Boijmans ook op de Tefaf zaken doet, zegt Te Duits: „Door de keuringen heb ik een goed beeld van het aanbod. In het verleden hebben we hier een telefoon van bakeliet gekocht. Nu heb ik mijn directeur voorgesteld om eens te kijken naar een stuk glaswerk uit de twintigste eeuw, dat ik wel wil hebben.” Directeur Sjarel Ex loopt hier vandaag ook rond.

De museumdirecteur

Ex’ collega Schampers houdt in Maastricht een tussenstop, op weg naar een opening in Duitsland. Het Frans Halsmuseum heeft volgens Schampers gene geld voor aankopen. „Ik kijk hier vooral naar schilderijen die ik in bruikleen kan vragen voor een tentoonstelling”, zegt Schampers. Hij wijst naar een bloemstilleven (1671) van Dirck de Bray: „Over De Bray hebben wij binnenkort een tentoonstelling. Past dit doek mooi bij.” Hetzelfde geldt voor een wonderlijk schilderij van Carel van Mander, Landschap met sneeuw en kruisiging (1599). „Dat zou geweldig zijn in onze tentoonstelling over manieristen in 2010.”

Schilderijen winnen enorm aan waarde als ze worden tentoongesteld. Het Frans Halsmuseum zag vorig jaar schilderijen van Pieter Claes die voor 750.000 euro per stuk werden verzekerd, na de tentoonstelling verhandeld worden voor 3 miljoen euro. Schampers: „Je ziet hetzelfde gebeuren met Nicolaes Berchem, een niet zo bekende schilder over wie we nu een tentoonstelling hebben. Die schilderijen kunnen we straks helemaal niet meer kopen. Zo schieten we in eigen voet, maar we hebben geen keus.”

De handelaar

Bij kunsthandel P. de Boer in Amsterdam raden ze klanten altijd aan om hun schilderijen een tijd in bruikleen te geven. „Het is goed voor een schilderij om tentoongesteld te worden”, zegt Niels de Boer. „De klanten willen doorgaans ook wel. Het kan alleen niet altijd, omdat de klant zo ver weg woont dat de transportkosten te hoog worden.”

De clientèle op de Tefaf is zo internationaal, dat kopers vaak op vele uren vliegen van Nederland wonen. Dat is ook precies waarom een kunsthandel hier graag een plek huurt. „Amerikanen die ons hier hebben leren kennen, bellen later als ze in Amsterdam zijn om even langs te komen”, zegt De Boer. Anderen zien op de Tefaf een schilderij hangen en zeggen dat ze thuis iets hebben dat erop lijkt. De Boer: „Dan bieden ze dat ons aan.”

Al op de openingsdag is P. de Boer uit de kosten, dankzij de verkoop van enkele kleine schilderijen. Bij veel stands zitten naast enkele schilderijen de rode stip die aangeeft dat het is verkocht. De Renoir is al verkocht, evenals het portret van Breitner en andere topstukken – maar ook het landschap van de minder bekende Jan Both. De huidige hausse op de kunstmarkt is voelbaar.

De veilingmeester

Om die marktbewegingen te ervaren, verblijft Eline van Oirschot van Sotheby’s Amsterdam een paar dagen in Maastricht: „De Tetaf is voor mij een thermometer, de eerste grote gebeurtenis op de kunstmarkt dit jaar die aangeeft hoe de prijzen zich ontwikkelen. Daarbij komt dat als de kunsthandelaren hier goed verkopen, zij straks weer schilderijen bij ons moeten inkopen.”

De verhouding tussen de kunsthandelaren en de veilinghuizen is er een van vreedzame coëxistentie. Handelaren die van particulieren stukken krijgen, verkopen die niet alleen zelf door maar laten die ook veilen, terwijl ze andersom ook inkopen op veilingen. Tegelijkertijd voelen veel handelaren zich bedreigd door de spectaculaire groei van de veilinghuizen. Het ligt dan ook gevoelig dat de veilinghuizen voet aan de grond hebben gekregen op de Tefaf, het bolwerk van de kunsthandel.

Sotheby’s kocht vorig jaar Noortman Master Paintings van de vermaarde kunsthandelaar Rob Noortman, die eerder dit jaar overleed. Christie’s, het andere grote veilinghuis, zette voor de Tefaf van dit jaar de kunsthandel King Street Fine Art op. De stand van deze handel staat nu tegenover die van Noortman. Van Oirschot beklemtoont dat Sotheby’s geen inhoudelijke bemoeienis heeft met Noortman: „Er zijn Chinese muren gebouwd met contracten waaraan 40 mensen hebben gewerkt.” Ze wijst op de stand van Noortman: „Zie je iets waaruit de betrokkenheid blijkt?”

Als het gesprek weer op de kunstmarkt gaat, ontspant Van Oirschot: „Mijn indruk is dat het nog steeds goed gaat.” De teruggave van oorlogskunst geeft de markt extra brandstof: „Bij de drie D’s – debt, divorce, death – is nu de R van restitutie gekomen.” Sotheby’s heeft veel oorlogskunst geveild, maar Christie’s mag de Goudstikker-collectie doen. Het gerucht gaat dat handelaar Dickinson ook wat stukken mag verkopen. Simon Dickinson zegt resoluut: „Ik weet van niets.”

De burgemeester

De kans is groot dat er dit jaar voor meer geld kunst wordt verhandeld dan vorig jaar, toen de verkoop meer dan 500 miljoen euro bedroeg. Dit bedrag illustreert het economisch belang van de kunstbeurs, waarover de Tefaf onlangs een onderzoeksrapport heeft laten maken. Uit dit rapport blijkt dat meer dan 200 vooraanstaande kunst- en antiekhandelaren gemiddeld een kwart van hun jaaromzet op de Tefaf halen.

De bezoekers geven de lokale economie een impuls door hun komst met het vliegtuig – 195 privévliegtuigen tijdens de Tefaf, alle lijnvluchten vol – en hun verblijf in de stad. „Goed voor ongeveer 70 banen en 10 miljoen euro aan inkomsten”, zegt medeonderzoeker Hans Maks, hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht. Het evenement levert veel meer op dan bijvoorbeeld de wielerwedstrijd Amstel Goldrace, bijna net zo veel als carnaval.

Burgemeester Gerd Leers, overal te zien op de Tefaf, is zich daarvan bewust. De Tefaf moet verder worden versterkt, geeft hij aan, onder meer door meer evenementen rond de beurs: „Daarom heb ik Wildenstein toegestaan om het stadhuis te gebruiken voor een receptie.” Het is een privéfeestje van de vooraanstaande kunsthandelaar Guy Wildenstein uit New York. Leers wil het selecte publiek een beetje exclusief houden: „Bij de voorbezichtiging waren erg veel mensen die niet veel met de kunstmarkt te maken hebben. Dat moeten we beperken.” Want op de Tefaf moet niet zozeer iedereen komen, als wel iedereen die er toe doet in de kunstwereld.