Over televisie en de ‘leukheidscultuur’

Zou Jack Spijkerman nog weten wat geestige televisie is?

Te vrezen valt van niet.

Zijn programma Koppensnellers was promotelevisie pur sang. Een ongegeneerd voorprogramma van de singalongshow Just the two of us die een avond later op hetzelfde Tien van start zou gaan.

Zangeresje Klemann en zoon van Ron Brandsteder kwamen kopspijkeren. Daarvoor moesten ze drie karaokenummers zingen. En tussendoor was er plichtmatig cabaret over de Statenverkiezingen („Wat doet Jezus in het brood dat al die christenen zo blij zijn?”) en mocht een kale Britney verdwaasd over het podium dwalen.

Gedegenereerde televisie was het. Dat vonden de kijkers ook: 269.000 schakelden in, een fractie van de aanhang die Spijkerman bij de Verenigde Arbeiders Radio Amateurs scoorde.

Lachen willen kijkers, maar kunnen ze dat ook?

De televisie doet er alles aan. Op zaterdag was er op Nederland 1 Mooi! Weer De Leeuw (met 1,7 miljoen kijkers de tv-hit van dit weekend) , gevolgd door Koefnoen ( 879.000 kijkers) terwijl het derde net een herhaling uitzond van Tequila (345.000 kijkers). Een verborgen camera zette BN’ers te kijk. En dan blijven buiten beschouwing de grapjassen van de serieuzere programma’s. Kijkers van RTL Nieuws zagen hoe een automobilist, ergens ver weg in de Verenigde Staten, ’s nachts rond sjeesde in een overdekt winkelcentrum. Geinig, toch?

„Leukheidscultuur.”

Onder dat kopje vat Kees Fens, auteur van het boekenweekessay, de grappenmakerij op televisie samen. „De inhoud is nul, het gaat over niks”, analyseerde hij tijdens een verrukkelijk college humor in VPRO’s Boeken. Over het verschil tussen scherts (Bomans) en humor (Carmiggelt), vermakelijke televisie (de onemanshow van Moszkowicz) en „die vreselijk elkaar bevestigende toon.” Nergens, constateerde de letterkundige, prijst men elkaar zó door om elkaar te lachen als bij tv. „Verban die mensen naar het land van tering en tyfus. De humor is daar even zwaar als de eerste dag van de zondeval.”

Televisiehumor die Fens’ toets ter kritiek wel doorstaat is het duo Van Kooten en De Bie. Ook al maken ze sinds de lente 1998 geen uitzendingen meer, gisteravond waren ze terug. Voor één keer. Met de ‘bloemkijking’ Schertz, Zatire en Yronie bekeken door 394.000 kijkers als opmaat tot de boekenweek. Waarbij sketches van soms 20 jaar oud aan actualiteitswaarde nauwelijks hadden ingeboet.

Betweter Cor van der Laak die zich beklaagt over de taalverloedering op straat. Aqualibriumdirecteur Bert Vroom die zijn bestsellersstrategie ontvouwt. En toen moesten de positivo’s nog komen. Profeten van Chollah op de Schiedamse reli-piraat. „Wij stichten een nieuwe wereldgodsdienst. Want waarom kunnen die Allah van hunnie en die God van ons niet vreedzaam samenleven in één portiek?”

Zowaar! Hier waren de onovertroffen voorlopers van Koppensnellers aan het werk. Wat een verschil! Met het eerste beeld wordt direct de toon gezet. Zodat een kijker al grinnikt nog voordat er één woord is uitgebracht. Om in de lach te schieten bij de rake en goed getimede uitspraken. Vol met onvolprezen taalgrappen. Wat moet een chrislamiet met het alcoholverbod in de koran? „Ik drink mijn glaasje alcohol maar nooit dat ze kunnen zeggen: die is lam.”

Geschaterd om televisiehumor. Dat is me nog niet eerder overkomen, ook niet bij het best leuke Koefnoen. Voor liefhebbers is er goed nieuws. Vanaf juni organiseert het Instituut voor Beeld en Geluid de tentoonstelling ‘Van Kooten en De Bie. En wel hierom.’

Nu een keertje gaan?

Reageer op deze column via www.nrc.nl/ogen