Metafoor van het oude Europa

Het Zeslandentoernooi beleeft dit jaar zijn 106de editie. Over de geschiedenis van een prestigieus rugby-evenement, dat appelleert aan een primitief strijdtoneel.

Een naam voor de trofee was snel gevonden: Trofeo Garibaldi (Italiaans) of Trophée Garibaldi (Frans). Als er één historische strijder is die Italië en Frankrijk verbindt, dan is het Giuseppe Garibaldi (1807-1882) wel. De wieg van de Italiaanse patriot en vrijheidsstrijder stond niet alleen in Nice (destijds onderdeel van het koninkrijk Sardinië), als generaal streed de ‘vader van de Italiaanse Republiek’ mee met de Fransen in de Frans-Pruisische Oorlog (1870-1871).

En ja, ook de jaarlijkse rugbystrijd tussen Frankrijk en Italië in het kader van het Zeslandentoernooi moest en zou een eigen gezicht krijgen. In de vorm van een eigen trofee om het belang van het duel te onderstrepen, meenden de bestuurders uit beide landen. Vol trots presenteerden zij ruim een maand geleden in Rome de bokaal die – zeer toepasselijk – werd ontworpen door een van Frankrijks beste rugbyers aller tijden, beeldhouwer Jean-Pierre Rives. Diens landgenoten mochten de beker een dag later, na afloop van de zege (3-39) op Italië, in ontvangst nemen.

Ceremonieel vlagvertoon en historische verwijzingen zijn inherent aan het roemrijke sportevenement, dat dit jaar alweer voor de 106de keer op de agenda staat. Europa’s oudste landentoernooi (sinds 1883) is dan ook meer dan alleen de strijd om de zilveren bokaal ter waarde van bijna 81.000 euro. Onder de paraplu van de Six Nations worden meerdere oorlogjes uitgevochten, elk met een eigen trofee: Italië en Frankrijk (Giuseppe Garibaldi Trofee), Engeland en Schotland (Calcutta Cup), Engeland en Ierland (Millennium Trophy) en Ierland en Schotland (Centenary Quaich). Van nog groter gewicht is de strijd tussen de vier Home Nations (Engeland, Schotland, Ierland en Wales) om de ‘onzichtbare trofee’, de Triple Crown. Maar de allerhoogste eer? Dat is de Grand Slam of Grand Chelem zoals de Fransen zeggen: vijf zeges op rij in één en hetzelfde jaar, en dus alle tegenstanders verslagen.

In Londen stonden gisteren de twee grootmachten van het Europese rugby tegenover elkaar, Engeland (25 eindoverwinningen) en Frankrijk (15). Het gastland won de klassieker (26-18) op Twickenham, en tekende daarmee voor de eerste overwinning op de titelverdediger sinds het wereldkampioenschap, ruim 3,5 jaar geleden in Australië. Daar behaalden de Engelsen de luidbejubelde wereldtitel – de eerste in een teamsport sinds 1966 (voetbal) – die over minder dan zes maanden verdedigd moet worden. Uitgerekend in Frankrijk, het land dat de hoop op een Grand Chelem gisteren in rook zag opgaan.

Zoals altijd was vol verwachting uitgekeken naar het treffen tussen de twee sterkste rugbynaties van Europa, die sinds hun eerste ontmoeting, op 22 maart 1906 in Parijs, talloze heroïsche duels uitvochten. Daarbij gold het door oorlog en rivaliteit getekende verleden meer dan eens als bron van inspiratie. Befaamd zijn de beelden uit de jaren tachtig van een met bloed besmeurde Rives, die tegen de gehate Engelsen van geen wijken wilde weten. Posters van de door strijd getekende flankspeler, bijgenaamd Casque d’Or (‘Gouden Helm’), hangen nog altijd in het clubhuis van menig Franse rugbyclub.

Rives en zijn Tricolores streden in een tijdperk dat rugby nog een zuivere amateursport was. Exact zoals het de grondleggers van de vijftienmansvariant (rugby union) tegen het einde van de negentiende eeuw voor ogen stond. Betalingen waren uit den boze. Wie in staat was om op zaterdag – in de negentiende eeuw voor de meeste mensen een normale werkdag – zijn tijd te doden met een partijtje rugby, die onderstreepte daarmee zijn verheven status van welvarend burger. Want rugby, dat was en is a hooligan’s game played by gentlemen, zoals de Britten het graag mogen uitdrukken.

In 1871 speelden Engeland en Schotland een wedstrijd, die de boeken inging als de eerste officiële rugby-interland uit de geschiedenis. Ierland en Wales mengden zich niet veel later in de strijd, waarna in 1883 het eerste officiële Vierlandentoernooi (Home International Championships) gespeeld werd. Frankrijk sloot zich vlak na de eeuwwisseling aan, hoewel het tot 1910 duurde voordat formeel sprake was van The Five Nations. Na de dominantie van Engeland en Schotland was het bij het begin van de 20ste eeuw echter het nietige Wales (23 eindoverwinningen) dat de toon zette. Mede dankzij een nieuwe en al snel als revolutionair aangemerkte speelstijl (het four three-quarter-systeem) bleken The Red Dragons nagenoeg onverslaanbaar.

Het Zeslandentoernooi is dan ook vooral het verhaal van het kleine maar dappere Wales (2,9 miljoen inwoners). Het stoere gevecht met de ovalen bal is, meer dan voetbal of wat dan ook, een metafoor die raakt aan de wortels van alles waar Cymru (spreek uit als Kum-Réé) voor staat. En dat is – in de eigen Keltische taal – het voor buitenstaanders ongrijpbare hwyl: passie en daadkracht. Ofwel de wereld van de heldhaftige krijgers; van mannen van de gestampte pot die doordeweeks noeste arbeid verrichten in de mijnen of de staalfabrieken, en in het weekeinde ten strijde trekken op het rugbyveld. En na afloop gebroederlijk een pint drinken in de pub.

Dat idyllische Wales bestaat allang niet meer, maar het Zeslandentoernooi houdt de herinnering aan dat geromantiseerde verleden levend. Bovendien, en ook dat telt in Cardiff en omstreken, is rugby de enige tak van sport waarin het voormalige prinsendom zich met de groten kan meten. Twee jaar geleden leidde Wales’ onverwachte eindoverwinning in de Six Nations tot een ongekende golf van euforie, die deed denken aan de hoogtijdagen van de ploeg uit de jaren zeventig.

Inmiddels is Wales weer terug bij af. Eergisteren leed de ploeg van bondscoach Gareth Jenkins de vierde nederlaag op rij door in Rome met 23-20 ten onder te gaan tegen Italië (nul eindoverwinningen). Zaterdag komt Engeland op bezoek in Cardiff en nu al lijkt Wales zeker van de minst begeerde titel die het Zeslandentoernooi kent: de Wooden Spoon, de cynische prijs voor de nummer laatst.

Een nederlaag tegen Italië stond tot voor kort nog gelijk aan een blamage, maar anno 2007 weigert de Squadra Azzurra nog langer te fungeren als kanonnenvoer van de ‘grote jongens’. Vorige maand behaalde Italië de eerste uitoverwinning ooit, in Edinburgh ten koste van Schotland (17-27), sinds de toetreding in 2000. Destijds fronste menig volger de wenkbrauwen: wat moesten ‘vijftien spaghettivreters’ te midden van de Europese rugbyelite?

De entree van Italië was vooral een commerciële knieval, meenden critici. Bedoeld om sponsors en televisiebazen te behagen en geïnitieerd door een bond, de organiserende internationale rugbyfederatie (IRB), voor wie mondialisering van The Oval Game plotseling een heilige opdracht was geworden.

Een bond ook die harde ingrepen niet schuwt sinds de bekering, nu twaalf jaar geleden, tot het professionalisme. Toen de Engelse bond (RFU) in 1997 buiten medeweten van de IRB om een tv-overeenkomst sloot met een commerciële zender en weigerde een gemeenschappelijke tv-overeenkomst te bekrachtigen, aarzelde de in Dublin gevestigde bond geen moment: Engeland was uitgesloten van deelname. Zover kwam het niet, omdat de RFU bezweek voor de publieke opinie. Want een – toen nog – Vijflandentoernooi zonder grondlegger Engeland, dat kon simpelweg niet.

Dat sentiment is aan buitenstaanders amper uit te leggen. Een blauwdruk van alle historische gevoeligheden op de Britse eilanden, zo mag het toernooi worden beschouwd. Maar wellicht de beste verklaring is nog wel deze: metafoor van het oude Europa. Het is een gereglementeerd gevecht, waar oeroude driften de boventoon voeren en dat appelleert aan lang vervlogen tijden, toen de verschillende landen en volken elkaar geregeld naar het leven stonden.

„Het enige echte conflict in de sport wordt op het rugbyveld uitgevochten”, schreef de Franse columnist Sylvain Ephimenco vijf jaar geleden na de eindoverwinning van zijn landgenoten. En: „Iedere meter terrein die op de tegenstander wordt gewonnen, klinkt als een napoleontische verovering.”

Vandaar ook de keuze van de Fransen en de Italianen voor een veldheer, als naamgever van hun trofee: Giuseppe Garibaldi.