Met dit boek maakt u geen vrienden

Op literaire bijeenkomsten hoor je fragmenten. Voor het hele verhaal moet je het boek kopen. De vraag is: wil je dat. En zou je het boek iemand cadeau doen.

Boekenrecensies zouden steevast moeten eindigen met de mededeling van de recensent of hij het boek aan zijn vrienden cadeau gaat doen. Boekenbijlagen zouden in plaats van eindejaarslijstjes lijsten met cadeau gedane boeken moeten publiceren. Want de vraag die elke lezer, en dus elke aspirant-koper behekst is: geef ik aan dit boek mijn geld uit?

Dezelfde vraag kwam op tijdens literair festival Het Voorwoord, zondag in Den Haag. Als het bezoeken van een prozafestival al zin heeft, dan is het om te besluiten of u van een schrijver meer wilt lezen. De voordracht zelf is doorgaans onbevredigend. Het voorgelezen fragment is te kort of te zeer uit zijn verband gerukt om een grondig oordeel te kunnen vellen.

Als dat wel kan, is het ook niet goed.

Was het een geslaagd festival? Deze toeschouwer kocht na afloop twee boeken.

Na enig twijfelen kocht ik niet de romans van Arjen Lubach en Aukelien Weverling. Geestig als goede stand-up, ernstig gelachen, maar stilistisch gaven ze me het gevoel van tl-verlichting: meer licht kan een lamp niet geven, maar je wilt er niet in wonen. En de onderwerpen, respectievelijk een nachtelijk beleefd belspelletje en het emotioneel verwaarloosd kind van een wereldverbeteraarster, leken een voorbode van weinig verrassende plots. Een goed cadeau als uw vrienden studeren.

Veel duidelijkheid gaf Renske de Greef, die om onverklaarbare redenen in de grote zaal was geprogrammeerd. Doe haar schoolproza cadeau aan hen die nooit uw vriend mogen worden. Moedig vooral aan het ook echt te lezen.

Naar die jongere schrijvers kwamen veel bezoekers luisteren, want verder is Het Voorwoord een festival met schrijvers van wie bezoekers van een literair festival al veel boeken hebben, zoals Remco Campert, Joost Zwagerman, Marcel Möring, Arthur Japin, Kees van Kooten en Abdelkader Benali.

Ik kocht de bundel En toen viel ik van het podium, waarin schrijvers vertellen over hun ergste ervaringen bij voorleesavonden. Het programma in een van de drie zalen was grotendeels ingeruimd voor dit boek, met interviews door de samensteller van het boek, Lidewijde Paris. Paris bracht de ondertitel, Schrijvers in verlegenheid, levendig in beeld. Haar optreden was een aanstekelijke reclameclip voor de nachtmerries die schrijvers moeten doorstaan.

Met verve speelde ze de gevreesde interviewster die haar exposés niet afrondt met een vraag, zelf anekdotes opdist en eigenhandig de vragen uit het publiek beantwoordt. Zo vertelde Paris uitgebreid hoe David Mitchell en Thomas Rosenboom elkaar een avond lang aan het lachen hadden gemaakt. Rosenboom keek haar aan met uitgestreken gezicht. Hij kon het zich niet herinneren. Als Paris persisteert in openbare interviews dan schrijft deel twee van die bundel zich vanzelf.

Ik kocht ook Ik was nooit in Isfahaan, reisverhalen van Tommy Wieringa. Laat op de avond las hij drie rake schetsen voor, en vroeg in de middag sprak hij een schitterend dankwoord uit voor het ontvangen van de F. Bordewijk-prijs – één van de vier letterkundige prijzen van de Jan Campert-stichting, waarvan de uitreiking voor het eerst aan het festival was gekoppeld. Wieringa vertelde over de twee keer dat hij om een boek had gehuild, waarvan één keer om een verhaal van Boeli van Leeuwen. Deze Curaçaose schrijver won in 1961 dezelfde prijs en was toen even oud: genoeg reden om hem op te zoeken. Tijdens hun ontmoeting overtreft de oude schrijver Wieringa nog in het uitspreken van mooie zinnen. „Alleen al om dit dankwoord hadden we je de Bordewijk-prijs moeten geven”, reageerde presentator Anton Korteweg alert.

Bij de boekhandelstand vroeg de verkoopster of ik mijn nieuwe boeken zelf kon dragen. Er was de hele dag zoveel verkocht dat de plastic tasjes op waren.