Massascène

Mijn Engelse buurman zocht net iets te lang naar de sleutel van zijn voordeur. Ik keek in zijn bloeddoorlopen ogen en wist genoeg; hij had, zoals vaker op zaterdagmiddag, in de Ierse pub een rugbywedstrijd gezien. Ik vroeg of hij nog een laatste biertje wilde. Nee. Koffie? Ook niet. Hij ging plat.

‘Morgen speelt Engeland tegen Frankrijk’, zei buurman. Hij kreeg de sleutel na twee keer missen in het slot en schuifelde daarna zijn huis binnen. Engeland tegen Frankrijk voor de Six Nations Cup, dat is de belangrijkste wedstrijd van het jaar voor een rugbyfan.

De NOS zond de wedstrijd zondagmiddag live uit. Yves Kummer was te gast, Nederlands bekendste rugbyspeler. We kregen archief van hem te zien; op een knollenveldje ploeterden mannen door de modder en wie goed keek zag Kummers vierkante kop een keer uit de scrum steken. Meer bewegend beeld was er niet.

Terwijl mijn buurman ongetwijfeld weer aan een schuimloos bier zat in zijn stamkroeg, ging ik er thuis eens goed voor zitten. Een volledige rugbywedstrijd uitkijken, had ik het ooit wel eens geprobeerd?

Kummer sprak over het ontbreken van de geblesseerde Engelse held Jonny Wilkinson, veelal vergeleken met voetballer David Beckham. Hoewel, held? Kummer beweerde dat rugby geen helden kent, en al helemaal geen Hollywoodsterren. ‘Beckham is een metroseksueel, die zo graag zijn vrouwelijke kanten toont. Daarvoor is in het rugby geen plaats.’

Er zaten 82.000 toeschouwers in het stadion. Op de zwarte markt gingen de kaartjes tot 500 pond. ‘Niet veel geld’, vond commentator Hans Brian, die zich daarna opmaakte voor een karakteristieke uitroep: ’Schitterende vang!’

Tussen het tv-commentaar door klonken steeds korte Engelse uitroepen. Go ahead! Play, play on! Bleek de scheidsrechter te zijn die in de huiskamer te horen was. Wat een gedisciplineerde sport. Niemand scheldt de scheidsrechter uit. Hij is de absolute baas, zijn besluiten – terecht of onterecht – worden opgevolgd. Kunnen voetballers nog veel van leren.

‘Ze pakken je net onder je ribbenboog om zo je lucht weg te halen’. Het gaat er stevig aan toe. En toch is er niemand die piept of zeurt. Als er ter plekke een speler overlijdt, wed ik dat alle spelers met de handen een gat graven, het lijk erin donderen, grond aanstampen, het volkslied zingen en weer verder spelen.

Rugby is een mooi schouwspel als het merendeel van de spelers op de grond ligt. Echte massascènes, zijn dat. Ze kruipen als aangeschoten soldaten over en door elkaar heen en blijven stil liggen om erger leed te voorkomen, zoals een filmacteur zich plat maakt als er een trein over hem heen raast.

De Engelse nummer 14, David Strettle, trok van alle spelers de meeste aandacht. Hij was de meest verwijfde van het stel, met een Beckham-achtige coupe zonder scheiding. Hij stond met een kaarsrechte rug wezenloos op de bal te wachten.

Tien minuten later gleed Strettle met onwaarschijnlijke schijnbewegingen tussen de grijpgrage verdedigers door. Hij kreeg een duw en viel op de grond. Au! Hij liet zich als een metroseksueel vervangen.

Engeland won. Rugby bleek een krachtig ballet op graspollen en een prima tv-sport. Nederlanders hebben te weinig ruggegraat om het te beoefenen.

O ja, mijn Engelse buurman is nog altijd niet thuis. Ik weet waar hij uithangt. De derde helft, heet dat in rugbykringen.