Dé vraag

Het meisje hield me staande bij de winkels op het Mercatorplein in het hart van de Baarsjes, een Amsterdamse buurt waar veel allochtonen wonen. Hoe oud zal ze geweest zijn? Hooguit een jaar of achttien.

Ze stelde de klassieke mag-ik-u-iets-vragen-vraag van colporteurs en zwaaide daarbij met iets dat op een krantje leek. Ik had er niet veel zin in en wilde al mompelend doorlopen, toen ze haar vraag helder en beleefd herhaalde. Zonder opdringerig te zijn, had haar stem iets dwingends, ook omdat ze opeens een verrassende vervolgvraag formuleerde: „Wat vindt u van Geert Wilders, meneer?”

„Daar ben ik geen groot vriend van”, zei ik. Haar doel had ze al voor de helft bereikt: ik bleef staan. „Wat zou u eraan willen doen?” vroeg ze op een toon alsof ze oprecht nieuwsgierig was naar mijn persoonlijke antwoord.

„Waarschuwen, wat kun je meer doen?” „Ik heb op de SP gestemd”, zei ze, „maar ik hoop wel dat Marijnissen voortaan Wilders steviger aanpakt.”

Ze gaf me een flyer waarop boven een foto van Wilders met grote letters stond: „Wat is het antwoord op Geert Wilders?” Er waren twee citaten van Wilders bij afgedrukt: „Ik vind het inderdaad niet prettig dat er straks twee moslims in het kabinet zitten.” En: „Als moslims in Nederland willen blijven, moeten ze de helft uit de Koran scheuren en weggooien.”

Wilders is een blessing in disguise voor linkse actievoerders: hij levert panklare citaten waar zijn vijanden nog jaren op kunnen teren. Het was of het meisje mijn gedachten had geraden.

„We moeten niet passief blijven”, zei ze, „er valt genoeg te doen.”

Ze vertelde dat de organisaties Samen tegen Racisme en Nederland Bekent Kleur op 21 maart een internationale dag tegen het racisme houden, waar de opkomst van Wilders geanalyseerd zal worden. Wilde ik misschien alvast een krantje kopen om de strijd te steunen? Ze hield een exemplaar van de Socialist omhoog met de kop: „Wilders wint stemmen met haat en racisme.”

„Ik lees al zoveel kranten”, zuchtte ik. Bovendien is de Socialist een krant waarvan je kunt weten wat erin staat zonder hem gelezen te hebben. Maar zó kwam ik niet van haar af.

„Als u de krant niet wilt kopen, kunt u ons ook steunen met twee euro”, zei ze. Ik hing. Ze had me psychologisch knap in de hoek gedreven. Tegen Wilders willen waarschuwen, maar er geen twee euro voorover hebben? Ik gaf haar het geld en kreeg als dank toch nog de Socialist in mijn maag gesplitst. Dit meisje had onmiskenbaar zakelijk talent, het zou me niets verbazen als ze ooit als vurig kapitalist eindigde.

Tegelijkertijd had ik bewondering voor haar idealisme: op je vrije zaterdagmiddag op een winderig plein voorbijgangers aanklampen – een meisje van haar leeftijd had wel leukere dingen te doen. Zélf was ik voor activisme altijd te sceptisch geweest, met mij won je geen propagandaoorlogen. Ik besefte hoe handig en adequaat haar tweede vraag aan mij was geweest: „Wat zou u eraan willen doen?”

Die vraag hebben we een tijdje ontweken – want die arme, bedreigde Wilders wilden we liever toch een beetje ontzien – maar sinds vorige week hangt hij levensgroot boven Nederland.