De stem van Lupu klinkt via de piano

Concert: Radu Lupu, piano. Gehoord: 11/3 Concertgebouw Amsterdam.

‘Elke kunstenaar moet zijn eigen stem hebben’, verklaarde de Roemeense meesterpianist Radu Lupu lang geleden. Achterover leunend, zijn gezicht grotendeels verscholen achter zijn woeste baard, zijn kolossale lichaam verstild en onaanraakbaar, lijkt de pianist die niet van praten houdt aan de vleugel slechts te bestaan uit een visionair hoofd en ‘pratende’ handen.

De klanken die hij aan zijn instrument ontlokt zijn zo uniek, zo mysterieus van emotie en diepzinnig van betekenis, zo magisch in de rijkdom aan klankkleuren en nuances, dat Lupu inderdaad een volstrekt persoonlijk geluid heeft.

Er kleeft een sombere zwaarte aan zijn interpretaties, die tegelijkertijd helder, grillig en bij vlagen onnavolgbaar lichtvoetig zijn. Zo speelde Lupu gisteravond in Amsterdam de Sonate nr. 18 van Beethoven als de klank geworden optimalisering van het contrast, maar dan wel volgens de verfijnde wetten van goede smaak en intellectuele scherpzinnigheid.

Opmerkelijk waren de spankracht van de stemmen en tegenstemmen, de volmaakte balans van zijn ‘zingende’ akkoorden en de vloeiende overgangen van forte naar pianissimo, en van piano naar fortissimo, ingebed in een volstrekt natuurlijke stroom, die werd neergezet met de vaart en het warme kleurenpalet van een met licht toverende Rembrandt.

Zo ook speelde Lupu de 7 Préludes uit boek I en II van Debussy met zoveel hallucinerende verbeeldingskracht, dat de trommelvliezen en alles wat daar achter schuilgaat aangesproken werden op een bijna mediamieke manier. Lupu trof de kern in markant omlijnde klankvisioenen.

Lupu kan ook mijmeren, zoals in zijn intieme en poëtische vertolking van Schuberts Sonate D 664, waarbij peilloos diep doorvoelde melancholie en een ontwapenende tederheid elkaar afwisselden.

Misschien wel het meest indrukwekkend, maar ook bijna tergend in zijn sombere traagheid en desolate weemoed, weerklonken de Vier Ballades op. 10 van Brahms. Als toegift waren er hartverscheurend mooie Impromptus van Schubert, op de golvende bewegingen van ‘tijdloze’ tijd.