De slechtheid van God

Godsdienst is eigenlijk een behoorlijk komische aangelegenheid. Nou moet ik er wel bij vertellen dat ik zeer godsdienstig ben opgevoed. Mijn ouders zijn gelovige mensen en mijn grootvader van moederskant was zelfs professioneel godsdienstig, want priester. Hij woonde in het buurland Guyana en als hij op bezoek kwam, moesten we zijn voeten aanraken, zoals het hoort bij Hindoes.

Op de een of andere manier hadden mijn ouders verzuimd ons te leren dat het soms ook letterlijk moest, de voeten van anderen aanraken. We deden dat altijd symbolisch, met een lichte buiging, alsof we van plan waren de voeten aan te raken, waarop de ander je, vlak voor de vernedering, je opricht en je zijn zegen geeft.

Maar deze grootvader wilde letterlijk dat we zijn voeten aanraakten – en daar had ik geweldige moeite mee. In sommige streken in India moet de schoondochter de voet van haar schoonvader op haar hoofd zetten om gezegend er vanaf te komen. Daar zou ik ook moeite mee hebben.

Laatst stond er in The New York Times een lang essay onder de titel ‘Darwin’s God’, waarin de vraag werd gesteld welk evolutionaire nut het geloof in God kan hebben. U moet maar eens nagaan hoeveel God werkelijk kost. De tijd die mensen doorbrengen met bidden. De tempels die ze bouwen. De rituelen en de versieringen. De oorlogen die ze in zijn naam voeren. De volstrekte zinloosheid.

Maar ik blijf godsdienst vermakelijk vinden. En vermakelijk is voor mij een groot woord. Vermakelijkheid neem ik diep serieus.

Een paar weken geleden was ik jarig en ik werd door een uiterst koppige vriendin meegenomen naar een hindoetempel. Ik had me tot zoiets niet in staat geacht, een tempelbezoek in Paramaribo, en dan nog precies de verkeerde tempel. Want zoals het met religie gaat, heb je altijd orthodoxen en recalcitranten. Zo ook in het hindoeïsme: je hebt er de sanatans, en je hebt de recalcitrante ariërs van de zogeheten arya samadj (letterlijk: gemeenschap van het arische ras; heeft Hitler van hen afgekeken). Ik behoor qua afkomst natuurlijk tot de sanatans, en van de ariërs moet ik niks hebben. Van de sanatans trouwens ook niet.

Maar sanatans zijn vermakelijker dan ariërs, zoals katholieken vermakelijker zijn dan protestanten. En zo belandde ik, dankzij die recalcitrante vriendin van mij, op mijn verjaardag in een tempel van de arya samadj, de verkeerde stroming, zoals men weet.

Toch raakte ik onder de indruk. Alles wat het hindoeïsme leuk maakt, is in de arya samadj verboden. Veelgodendom? Verboden. Het lieflijke verhaal van Krishna, de man die iedere vrouw met zijn spel op de fluit overspelig kon maken? Verboden. Wat heb je aan godsdienst als liefde niet is toegestaan?

Oké, ik geef toe, de sanatans waar ik toe behoor, komen soms met heel rare verhalen: dat er een aapgod is die in een paar stappen van Zuid- naar Noord-India loopt en een berg meeneemt, omdat hij het genezende plantje op die berg niet zo gauw kon vinden. Vind ik een schitterend verhaal, maar die lui van de andere gemeente moeten er niets van hebben. Waarom protesteren protestanten in de eerste plaats tegen mooie verhalen? Waarom halen ze de absurditeit uit godsdienst, terwijl ze weten dat het hele fenomeen van godsdienst een tikje absurd is?

Wacht, ik moet niet te hard gaan. De dienst in de tempel van de arya samadj, op mijn verjaardag, heb ik overleefd. Dankzij de recalcitrante vriendin, de schat, van wie ik niet wist dat ze zo devoot kon zijn, terwijl ik devotie een beetje idioot vind. Ik snap dat niet, ook al wil ik alles snappen. Maar als je eenmaal het boek van Karel van het Reve hebt gelezen, ‘De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’, moet je bij alle godsdienstigheid in lachen uitbarsten.

Toch doe ik dat niet, mij misdragen bij het zien dienen van God. Een paar dagen geleden was ik aanwezig bij de herdenkingsdienst van een jongen van 37 die aan een hartaandoening was komen te overlijden. De dienst werd gehouden in een vijfsterren hotel, waar hij net vijf jaar eerder was getrouwd. En terwijl de priester een kort toespraakje hield, dacht ik: godsdienst heeft nut, al zal geen Darwinist het ooit begrijpen.

Desondanks zal ik op de een of andere manier vrede moeten krijgen met het feit dat bijna 90 procent van de Surinamers in God gelooft. In één god of in meerdere goden, en dat laatste heeft mijn voorkeur, omdat je dan lekker keus hebt. Ze zijn in Suriname strenger gelovig dan ik voor mogelijk had gehouden, en elke grap over godsdienst valt hier verkeerd.

Ik zeg er altijd bij dat ik heel godsdienstig ben opgevoed, maar dat je in het verkeer meer hebt aan veiligheidsgordels dan aan geloof in God. Foute grap. Men vindt dat onvergelijkbare grootheden. En terwijl ik dit schrijf, vind ik dat ook. Hoe kan men nu zoiets praktisch als een veiligheidsgordel minder belangrijk vinden dan God?

Maar nooit, nooit zal ik in Suriname grappen maken over de goden. Ze hebben hier vele revoluties achter de rug: de onafhankelijkheid (die overigens mislukt is), de militaire staatsgreep (ook al niet zo’n succes), de moorden van 1982, de omvorming van het land in een narcostaat in de jaren negentig, en nu het heel langzaam omhoog krabbelen – ik hoop dat er een God is die ze Zijn zegen geeft. Want als die er niet is, als die God zo slecht uitvalt als Karel van het Reve meent te moeten geloven, zijn ze er hier behoorlijk slecht aan toe. En ik zal er niet om kunnen lachen.

ramdas@nrc.nl