De droefheid voeden die al in je hoofd zit

In de muziek van Bonnie ‘Prince’ Billy is nauwelijks een vrolijke noot te ontdekken.

Toch is hij zeker geen depressieve zielepoot.

Eerst maar even een misverstand uit de weg ruimen. De vraag was hoe een vertolker van zulke mistroostige en wanhopige liedjes tegelijkertijd hartstochtelijk liefhebber kan zijn van – en nu komt het – achtbanen. „Ik ga misschien door het leven op een manier waarop elke dag volkomen merkwaardig en onvoorspelbaar is”, zegt Will Oldham (36), beter bekend als Bonnie ‘Prince’ Billy, aan de telefoon vanuit Louisville, Kentucky. „Ik houd van achtbanen. Maar tegen iedereen die denkt dat ik een depressieve zielenpoot ben, zou ik willen zeggen: Fuck you. I hope you die!”

Zo, dat lucht op. Maar het gebeurt nogal vaak dat hij ,,vooral in Nederland en België” wordt aangesproken op zijn vrolijkheid. ,,‘Hoe kan dat nou’, vragen ze me dan, ‘je stond de hele tijd te lachen?’ Alsof ik niet mag genieten van muziek maken; nota bene het mooiste wat er is. Mijn songs voeden kennelijk een droefheid die al in hun hoofd zit. Maar wat ze voelen, hebben ze zelf meegebracht.”

Toch is Oldham op de kleine twintig platen, al dan niet onder schuilnaam verschenen, nauwelijks op een vrolijke noot te betrappen. Als Palace (soms gevolgd door Brothers, Music of Songs) en Bonnie Billy (soms met tussenvoegsel ‘Prince’) maakt hij een kruising van duistere folk en country noir. Terugkerende thema’s: mislukte liefdes, incest en drankmisbruik.

Vorig najaar bracht hij The Letting Go uit, als Bonnie ‘Prince’ Billy. Hij nam het op in IJsland bij Valgeir Sigurdsson, de huisproducer van Björk. ,,Ik leerde hem drie jaar geleden kennen, toen ik met Björk toerde. Hij wilde toen al opnemen, maar ik dacht dat hij dat toen uit beleefdheid zei.”

De kale arrangementen worden hier en daar een handje geholpen door de IJslandse elementen. ,,Valgeirs huis is aan de rand van Reykjavik gebouwd. Terwijl de muzikanten beneden in de geluiddichte studio speelden, zongen wij boven alles in. Het was december en het waaide zo hard dat ook de wind op de band terechtkwam. Ik vond het wel toepasselijk en heb ik het laten staan.”

Op de plaat doet ook Dawn McCarthy mee, zangeres van het Oaklandse (neo-)folkduo Faun Fables. Haar stem had hem al veel eerder gegrepen, hij durfde haar alleen toen niet te vragen. ,,Er zijn in je leven misschien vijf momenten waarop je hoofd figuurlijk ontploft. Zoals toen ik Mother Twilight van Faun Fables hoorde.” Zijn eigen sombere gestamel contrasteert schitterend met McCarthy’s zuivere feeënzang. „Dawn kan dingen met haar stem waar ik niet eens van kan dromen. Dat was wel intimiderend.”

Dat geldt ook voor zijn meest beroemde samenwerking: die met Johnny Cash op Solitary Man (2000), deel drie van de door Rick Rubin geproduceerde American Recordings. Er was een smoes voor nodig, bekent Oldham, maar uiteindelijk mocht hij meezingen met zijn idool. „Ik had gehoord dat mijn platen door heel Rubins huis lagen. Toen een vriend van mij hem ontmoette, zei hij dat ze net mijn nummer I see a darkness hadden opgenomen. Ik dacht: dit is mijn kans om Johnny Cash te ontmoeten.”

Hij benaderde de producer. Het nummer was al klaar, zei Rubin, maar misschien konden ze in New York nog wat overdubs doen met piano. ,,Ik moet je iets bekennen”, zei Oldham, eenmaal aangekomen in de studio. ,,Ik kan niet piano spelen. Maar mag ik alsjeblieft een sessie bijwonen als Cash er bij is?”

Dat mocht. Een paar weken later vloog hij naar Rubins thuisstudio in Los Angeles, enkel van plan om toe te kijken. Maar Cash bleek ontevreden te zijn over hoe hij I see a darkness had gezongen. ,,Let’s work on that song now’, zei hij opeens. En of ik hem niet wilde adviseren. Even later zaten we samen te zingen. Ongelofelijk.”

Het wonder had hij mede te danken aan mevrouw Cash. Zij en Johnny hadden het in hun huis op Jamaica beluisterd. Na afloop had ze hem aangekeken en gezegd: „Dit moet je echt opnemen”. „Ik snap nog steeds niet hoe het heeft kunnen gebeuren.”

Bonnie ‘Prince’ Billy treedt dinsdag op in Vredenburg, Utrecht.