Zwart & Frans

Patrick Lozès is het gezicht van de emancipatiestrijd van de zwarte gemeenschap in Frankrijk. Hij heeft een droom. „Zwart en wit moeten de macht delen.”

De emancipatiestrijd van zwarte Fransen wordt aangevoerd vanuit een piepklein kantoortje in de Marais, in het hart van Parijs. Hier ontvangt Patrick Lozès (42), de voorzitter van de CRAN, de Conseil Représentatif des Associations Noires de France. Op zijn opgeruimde bureautje ligt een mobiele telefoon die steeds overgaat. Veel klachten. Eind januari heeft de CRAN een opinieonderzoek naar de leefomstandigheden van zwarten gepubliceerd. Een primeur, want etnische statistieken zijn een taboe in Frankrijk. Ze worden gezien als een inbreuk op het republikeinse principe dat verschillen tussen burgers niet tellen. Het is wettelijk verboden objectieve gegevens te verzamelen over ‘gevoelige’ zaken als etniciteit, seksuele geaardheid, politieke opvattingen en levensovertuiging.

Vragen hoe mensen zichzelf zien mag wel, maar dat had nog nooit iemand van zwarte Fransen willen weten. Patrick Lozès is zwart en hij wil het wel weten. Ook wil hij weten hoeveel zwarte Fransen er zijn. Geteld worden is meetellen, zegt hij.

Er is een Zwarte Kwestie, in Frankrijk. Dat staat voor hem vast. Hij spreekt erover alsof hij op eieren loopt. Na iedere vraag zegt hij: „Ik geef u straks antwoord.” Hij wil redeneren, de context uitleggen. Alles is afgewogen bij Lozès. Zijn grijze kostuum. Zijn zwarte stropdas. Zijn levensplan. Hij is de zoon van een Franse senator, die na de dekolonisatie minister werd in de Afrikaanse staat Benin. Hij was actief in centrumpartij UDF. Zijn droom is het openen van een eigen apotheek in Parijs. Maar daar heeft hij nu geen tijd voor. Lozès wil laten zien wat het betekent om zwart te zijn in Frankrijk.

Wat betekent het?

„Permanent minachting ondergaan. Als je in de bus zit, gaan mensen niet naast je zitten. In de supermarkt loopt permanent een bewaker achter je aan. Het kassameisje vraagt naar je identiteitsbewijs. Er zijn mensen die op straat van stoep veranderen. De politie controleert je voortdurend. Een woning is vrij totdat jij komt kijken – dan is-ie al vergeven.”

Overdrijft u niet?

„Nee, ik houd me juist in. Ik ben niet paranoïde. Alle zwarten hebben zulke ervaringen. In mijn boek beschrijf ik 24 uur van mijn leven als zwarte. Vandaag kwam er nog een meisje in de metro naar mij toe om me te bedanken. ‘Nu weet ik dat ik het me niet inbeeld’, zei zij. De ironie is dat ik die ervaringen niet voor haar beschreven heb. Ze zijn juist bedoeld om blanke lezers een idee te geven van hoe het is om zwart te zijn in Frankrijk. En ik heb het er niet te dik op willen leggen, want er zijn dingen die je nauwelijks kunt uitleggen.”

Zoals?

„Je bent aan de beurt in het postkantoor, de dame achter het loket bekijkt de randen van je identiteitskaart. Ze denkt er misschien niets eens over na. Het is een reflex. Je bent zwart, dus je hebt die kaart vast nagemaakt. Ook al heb je generaties Franse voorvaderen. Het is niet uit te leggen hoe vernederend het is om dat elk dag mee te maken, in tal van situaties. Dat je zwart en Frans kunt zijn, is geen algemeen geaccepteerd idee. Terwijl hier meer dan drie miljoen zwarten wonen.”

U komt uit een beschermd milieu, met minder discriminatie. Waarom voert u deze strijd?

„Iedereen kan een schild opbouwen: je sluit je ervoor af, je zegt tegen jezelf dat het niet zo erg is. Mijn afkomst gaf me een dubbel schild. Wat voor mij veel heeft veranderd, is de dag dat mijn zoon van vijf thuiskwam met de vraag of hij geen plat haar kon krijgen. Daar hadden kinderen op school opmerkingen over gemaakt. Wij wonen in een bevoorrechte buurt in Parijs, ik dacht: dat speelt hier toch niet? Maar het speelt overal. Ik doe het niet voor mezelf, ik wil dat mijn zoon trots is op zichzelf. ”

Uw kinderjaren bracht u door in Dahomey in West-Afrika, het huidige Benin.

„Ja, maar daar praat ik niet graag over. Ik ben trots op mijn herkomst, maar ik wil niet de indruk wekken dat origine een rol speelt bij de CRAN. We zijn niet op zoek naar onze wortels, we strijden voor de toekomst waarin het geen nadeel meer is om zwart te zijn. Dat is een strijd die iedereen aangaat. Er zijn mensen van Afrikaanse herkomst, van Antilliaanse herkomst, maar ook witte mensen, intellectuelen die bij ons horen.”

Ervaart u Frankrijk als een racistisch land?

„Niet racistischer dan andere landen. Ik houd van dit land, mijn land. Maar Frankrijk is ten diepste discriminerend. De Republiek, gebaseerd op bewonderenswaardige principes als gelijkheid en vrijheid, is ontworpen door en voor blanke heteroseksuele mannen. Iedere keer als een groep – zwarten, joden, homoseksuelen – zijn rechten opeist wordt er gezegd: jullie verstoren het evenwicht in de Republiek. Jullie zijn ‘communautaristen’, sektarische fanatiekelingen.”

‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ is een leugen?

„De principes zijn prachtig, maar we gebruiken in Frankrijk een verwrongen interpretatie van het gelijkheidsbeginsel. De zogenaamde republikeinen verwijzen naar artikel één van de grondwet, waarin ze lezen dat ze geen onderscheid mogen maken naar ras of geslacht. Maar gelijkheid is een doel. En wij streven naar dat doel, bij de CRAN. En dat doen niet de republiekfundamentalisten die zeggen dat zij de problemen van zwarten niet in kaart mogen brengen. Al die verdedigers zeggen eigenlijk: de Republiek, dat zijn wij, de witte heteroseksuele mannen.”

Bestaat ras?

„Natuurlijk niet in biologische zin, maar wel als sociale notie. Je wordt gemaakt door de blik van anderen. Ik ben niet zwart voor iedereen – alleen voor diegenen voor wie telt dat ik zwart ben. Historisch heb je twee posities. Zeggen dat ras bestaat, was voorbehouden aan extreemrechts. Vergeet niet dat Jean-Marie Le Pen (dit jaar voor de vijfde keer presidentskandidaat namens het Front National, red) is veroordeeld omdat hij heeft gezegd dat de rassen niet gelijk zijn. Daartegenover staat weldenkend links. Dat zegt: rassen bestaan niet, dus praten we er niet over. Maar je kunt niet zeggen: er zijn geen cijfers, dus het probleem bestaat niet. De werkelijkheid niet onder ogen zien, brengt je niet verder.”

De cijfers over de banlieue-rellen van 2005 laten zien dat daarbij vooral zwarte jongens betrokken waren. Is dat nuttige informatie?

„Ja. We hoeven niet bang te zijn voor de waarheid. Niet de cijfers zijn gevaarlijk, maar de afwezigheid van publiek beleid om het probleem op te lossen. Iedereen heeft gezien dat de meeste relschoppers zwart waren. Ik praat het geweld niet goed, dat moet altijd veroordeeld worden. Maar het is duidelijk dat zij daarmee iets opeisten.”

Wat? De relschoppers hadden geen woordvoerders.

„Maar ze zwaaiden wel met hun identiteitskaart. ‘Wij zijn Frans!’, riepen ze. En dat is niet nieuw. In 2002 was ik kandidaat voor de parlementsverkiezingen, hier in het hart van Parijs. Ik was toen enorm verbaasd hoeveel zwarte mensen er naar me toe kwamen met hun identiteitskaart. Ze zeiden precies hetzelfde: ‘Kijk, ik ben Frans!’ Toen begreep ik dat je wél moet praten over kleur, over culturele identiteit. Daar hebben mensen elke dag mee te maken! De rellen kwamen extra hard aan omdat de zwarten altijd zo vreedzaam waren. En nu bleek dat ze gewelddadig waren, en talrijk. Wat zij eisen is duidelijk. Dat is een rechtvaardige en gelijke behandeling. Niet meer, niet minder.”

Maar waarom vooral de zwarten, meer dan de Noord-Afrikanen?

„Zij ondergaan niet hetzelfde racisme. Het is evenzeer te veroordelen, maar het heeft een ander karakter. Het racisme tegen Noord-Afrikanen loopt af en toe hoog op. Dat is oplaaiende angst uit het koloniale verleden. Het racisme tegen zwarten komt neer op sluimerende minachting. Ik noem het laagspanningsracisme: het gaat om een permanente vernedering die schuilt in een veelheid van kleine dagelijkse ervaringen. Dat is de erfenis van een andere koloniale verhouding, en van slavernij.”

Discrimineert een verhuurder niet gewoon omdat hij meent dat hij met zwarte huurders vaker problemen heeft? Zonder aan het koloniale verleden te denken?

„Ah, dat is interessant. Als iemand zich daarop beroept, ga ik ontleden. Hoe vaak heeft hij problemen met zwarte huurders? En met hoeveel niet? Waarom weigert hij niet alle blanke huurders als er een niet betaalt? Misschien gebeurt dat wel vaker dan met zwarte huurders. De reflexen waarmee zwarten behandeld worden, berusten op drie eeuwen geschiedenis. Daarvan zijn de sporen niet een, twee, drie uitgewist. Maar ik ga geen 150 jaar wachten tot dat verleden vergeten is.”

Is het geen probleem van integratie?

„Dat is een verschrikkelijk woord! Integratie waarin? Het woord geeft al aan dat je sommige mensen niet hetzelfde beoordeelt. Ik vind het afschuwelijk dat tijdens de rellen is gezegd dat al die zwarten op straat waren omdat Afrikanen polygaam zijn en dus niet genoeg ruimte hebben in hun appartementen. En dat zeiden niet de minsten: Helène Carrère d’Encausse van de Académie Française, minister Larcher van Sociale Zaken en Bernard Accoyer, de parlementsleider van de regeringspartij UMP. Volgens Alain Finkielkraut was er sprake van een etnoreligieus conflict.”

Zij hadden het over immigranten uit zwart Afrika.

„Luister, 81 procent van de zwarten is Frans burger. En de meesten al heel lang! Waarom denkt u dat Finkielkraut zei dat er te veel zwarten in het nationale voetbalelftal spelen – ook al trok hij dat later weer in. Dat soort uitspraken is niet uniek. Nu is de socialistische voorman Georges Frêche door zijn partij uitgesloten omdat hij hetzelfde gezegd heeft. Een paar jaar geleden zou niemand erover gevallen zijn. Maar nu zijn wij er, en we zullen niets laten passeren.”

Volgens critici bevordert u juist generalisaties door uit naam van ‘de’ zwarten te spreken. Een collectief uit de Franse overzeese gebiedsdelen dreigt u daarom zelfs met een rechtszaak.

„We sluiten niemand op in een hokje. Onze statistieken werken net als in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk. Mensen wordt gevraagd hoe ze zichzelf zien: als zwart of niet. Dat is hetzelfde als vragen waar je woont. Niet discriminerend. Je hoeft er niet bij te horen.”

Bestaat er zoiets als een zwarte gemeenschap?

„Er is geen wereldwijde zwarte cultuur. Uiteindelijk is een gemeenschap gebonden aan een gebied, niet aan een huidskleur. Maar de zwarte gemeenschap bestaat wel als een gemeenschap van belangen. Een woning wordt niet geweigerd aan een Antilliaan of aan een Afrikaan, maar aan een zwarte. Het is een gemeenschap die door de blik van anderen wordt gevormd.”

Onderstreept u het stigma niet door het zwart zijn te benadrukken?

„Nee, ik wil het woord zwart juist van zijn negatieve symbolische lading ontdoen. We moeten gaan zeggen: ik ben er trots op om zwart te zijn. Niet omdat het beter is dan blank zijn, maar omdat het belangrijk is. Zwart, noir , werd in Frankrijk tot een jaar of drie, vier geleden gewoon niet gebruikt. Zwarten heetten hier ‘blacks’ [spreek uit ‘blak’, red.] of ze zijn ‘afkomstig uit Afrika’ of ‘nakomelingen van immigranten’. Allemaal eufemismen. Zwarten werden onzichtbaar gemaakt in Frankrijk.”

Waarom hebt u zich niet aangesloten bij een algemene antiracismebeweging?

„Om het cru te zeggen: racisme bestrijden is mijn gevecht niet. Ik vind dat net zoiets als tegen regen zijn: prima, maar daarmee voorkom je niet dat het regent. Ik zorg liever dat iedereen een regenjas en een paraplu krijgt. Optreden tegen discriminatie is concreter: het gaat om handelingen, niet om het denken. Wij willen dat Frankrijk daadwerkelijk diverser wordt. De republiek zal niet hetzelfde blijven. Het moet komen tot een werkelijke machtsdeling.”

Hoe?

„Ik stel voor: acht procent zwarten in het parlement. En ook acht procent in de regering. Zwart ondernemerschap moet bevorderd worden. Positieve discriminatie ingevoerd. Zwarten moeten zichtbaar zijn. Alleen dan worden de verschillen opgeheven.”

De rechtse presidentskandidaat Sarkozy is voor positieve discriminatie.

„Ja, maar daar hoor je hem niet meer over nu hij op campagne is. Nu zegt hij dingen als: ik respecteer minderheden, maar ze moeten wel naar de meerderheid luisteren. De kolonisatie noemde hij een „dette imaginaire”. Drie eeuwen kolonisatie een ingebeelde schuld? Ik heb tegen Sarkozy gezegd: ‘Kijk uit, u ontketent racisme!’.”

De socialistische presidentskandidate Ségolène Royal heeft de kolonisatie veroordeeld en Frankrijk een ‘gekleurd land’ genoemd.

„Ik wil er best voor klappen, maar het is blabla. Waar zijn de concrete maatregelen? De werkelijkheid is dat rechts en links in zwarten nu wel een electorale markt zien, maar heel vaag zijn over wat we na de verkiezingen kunnen verwachten. Mijn eigen partij, de UDF, doet dat niet beter. Maar de identiteitskwestie komt terug. Zij zeggen: maar je bent communautariste. Dan vraag ik: was Martin Luther King met zijn burgerrechtenbeweging communautariste? Nee? Nou, wij doen hetzelfde als hij.”

Werkt u samen met de Amerikaanse zwarte burgerrechtenbeweging?

„Wij nodigen mensen van de NAACP uit om ons te trainen in activisme, dat verberg ik niet. De NAACP is een van de weinige burgerrechtenbewegingen in Amerika die het woord ‘coloured’ gebruiken. We kopiëren niet alles uit Amerika, maar je hoeft maar naar Colin Powell, Condoleezza Rice of Barack Obama te kijken om te weten dat Frankrijk nog iets kan leren van het Amerikaanse systeem om het evenwicht te herstellen. Er is hier geen enkele niet-blanke kandidaat in zicht die serieus kans zou kunnen maken op het presidentschap. Frankrijk loopt jaren achter. Wij staan nog maar aan het begin van een echte burgerrechtenbeweging. En ik zeg tegen politici: neem ons maar serieus, want als je dat niet doet, zullen radicalere groepen aan invloed winnen.”

Is dat een dreigement?

„Het is een realiteit. Er zijn al radicalen, zoals Tribu Ka en Dieudonné (zie kader). Het is een klein aantal met weinig invloed. De overgrote meerderheid van de zwarte bevolking is gematigd en luistert niet naar hen. Maar als de samenleving geen oog heeft voor wat mensen ondergaan, worden ze wanhopig. Normaal gesproken winnen de gematigden, maar het is een race tegen de klok.”

Is de CRAN het gematigde antwoord op extremere bewegingen?

„Niet iedereen vindt mij gematigd! Men vond mij niet gematigd toen ik de Petit Robert aanviel, omdat in dat woordenboek bij de definitie van kolonisatie geen onderscheid wordt gemaakt tussen mensen en goederen. Maar ik ben geen ‘continuiste’ die beweert dat wat nu in de banlieues gebeurt, een voortzetting van de kolonisatie is met andere middelen. En ik wil ook niet concurreren met het lijden van andere groepen.”

U hebt Dieudonné geprezen omdat hij de ‘zwarte kwestie’ op de kaart heeft gezet. Maar waarom ontaardde dat bij hem en bij anderen in antisemitisme?

„Ik denk dat dit ook uit de Verenigde Staten komt, het voorbeeld van Louis Farrakhan, de leider van de separatistische zwarte beweging Nation of Islam. De onzinnige gedachte heeft postgevat dat veel praten over de Shoah minder aandacht voor zwart leed betekent. Ik ben daar fel tegen. Zwarten moeten zich niet opsluiten in de gedachte dat ze meer slachtoffer zijn dan anderen. We moeten juist meer over de Shoah praten, zoals we ook meer over de kolonisatie en slavernij moeten praten. Niemand is beter of slechter dan anderen, de mensheid is nu eenmaal tot ignoble in staat. Onze strijd is universeel. Voor mij is er geen tegenstelling tussen zwart en wit.”

Zijn excuses van de Europese ex-kolonisatoren op zijn plaats?

„Ik vraag geen excuses. We moeten het verleden onder ogen zien, dat wel. Ik ben een aanhanger van het Zuid-Afrikaanse model: een commissie van waarheid en verzoening instellen. Dat levert misschien pijnlijke taferelen op, en veel tranen. Maar het zorgde er wel voor dat Nelson Mandela kon spreken van de regenboogsamenleving. Het zou een goed idee zijn voor alle landen in Europa.”