Zonder provincies lagere lasten

Mijn waarnemer in Haarlem meldt dat de bestuurders van Noord-Holland al zes jaar delibereren over de verbouw van het provinciehuis. Het futuristische ontwerp van een spraakmakende Spaanse architect is omstreden. Inmiddels heeft dit project al zeven miljoen euro opgeslokt, zonder dat een kubieke meter grond is verzet, laat staan de eerste steen is gelegd. Uiteraard zijn spilzucht en wanbeheer geen prerogatieven van de bestuurslaag tussen de rijksoverheid en de gemeenten. Maar dit voorbeeld voedt wel gevoelens van onbehagen over het middenbestuur bij de burgers, die in meerderheid niet de moeite nemen om bij de statenverkiezingen de tocht naar de soms haperende stemmachine te maken. Bovendien had de helft van de kiezers die de afgelopen week wel zijn stem uitbracht daarvoor primair strategische motieven. Zij hoopten invloed uit te oefenen op de samenstelling van de Eerste Kamer, die via getrapte verkiezingen door de statenleden wordt aangewezen.

Al zeventien jaar geleden concludeerde de politicoloog Van Schendelen dat er weinig reden is om de provincie als bestuurlijk niveau te handhaven. Hij wordt geciteerd in ‘Het opgeblazen bestuur’, een recent verschenen boek waarin ervaringsdeskundige Klaasje Peters een vernietigend portret schildert van politici en ambtenaren die proberen hun bestaan te rechtvaardigen door steeds meer oneigenlijke bezigheden aan te vatten. Dat lukt niet. De provincie leeft niet bij de kiezers, omdat veel door de wet aan het middenbestuur toegewezen taken de burgers niet direct raken. Daar komt bij, aldus Peters, dat provincies moeite hebben concrete prestaties te tonen. Soms omdat die niet worden geleverd, zij geeft daar onthutsende voorbeelden van, vaak omdat hun prestaties niet los zijn te zien van de inspanningen van andere instanties in en om het openbaar bestuur.

Inmiddels is de aanval op het middenbestuur geopend. Na een zwaarbevochten wetswijziging – de lobbykracht van de provincies valt niet te onderschatten – is het totale aantal statenleden dit jaar teruggebracht van 764 tot 564, ruim een kwart minder dus. Het nieuwe kabinet is van plan bovendien het vermogen van de provincies af te romen. In de periode 2008–2011 zal elk jaar opnieuw 200 miljoen euro worden vrijgemaakt voor door de centrale overheid aan te wijzen bestemmingen. Vermoedelijk zijn de opstellers van het coalitieakkoord op het spoor gezet door de Groningse econoom Gerritsen, die eergisteren promoveerde op een onderzoek naar de vermogenspositie van gemeenten en provincies.

Eind 2005 toonde de gezamenlijke balans van de provincies een eigen vermogen van 4,7 miljard euro. Zij beschikken echter ook over omvangrijke ‘stille reserves’. Met name hun aandelen in elektriciteits- en drinkwaterbedrijven zijn ondergewaardeerd. Die aandelen zijn 6,4 miljard meer waard dan waarvoor ze op de balans staan. In feite bedraagt het vermogen van de provincies dus meer dan 11 miljard euro.

Aan de kabinetsplannen om daar 800 miljoen euro van af te halen zitten overigens veel haken en ogen. Na zijn monnikenwerk in de provinciale boekhoudingen moest Gerritsen concluderen dat de werkelijke omvang van de vermogens moeilijk valt te bepalen, bij gebrek aan uniforme waarderingsmaatstaven. Daar komt bij dat het aanwezige vermogen heel ongelijk over de provincies is verdeeld. Het wordt knap lastig om dat op een aanvaardbare manier te kortwieken. Bovendien kunnen provincies het geld niet zomaar vrij maken, omdat ze hun aandelen in de nutsbedrijven niet mogen of niet willen verkopen. Verder worden door de voorgenomen onteigening juist die provincies gestraft die in het verleden zuinig en doelmatig zijn geweest. Ten slotte zou de dreigende afroming provinciebestuurders kunnen prikkelen tot versnelde en dus minder doelmatige bestedingen.

Ondanks deze bezwaren zit er een goede kant aan het kabinetsplan. Het doet denken aan de manier waarop activistische grote beleggers proberen de macht in bedrijven te grijpen om via opsplitsing en verkoop van bedrijfsonderdelen de door een zelfgenoegzame ondernemingsleiding verborgen meerwaarde om te zetten in cash voor de aandeelhouders. Op dezelfde manier kan het kabinet provinciaal vermogen loskloppen in het belang van de burgers. Gelderland heeft de grootste verborgen reserve: zijn aandelen Nuon zijn 2 miljard euro waard. In 2004 bedroeg het dividend 53 miljoen. Zouden deze aandelen worden verkocht en zou die 2 miljard in staatsobligaties worden belegd, dan neemt het rendement toe tot 80 miljoen euro per jaar. Het voordelig verschil van 27 miljoen euro is voldoende voor een permanente belastingverlaging van 20 euro per jaar voor alle volwassen inwoners van de provincie.

Vergelijkbare resultaten zijn te bereiken door de provincies op te heffen en hun vermogen van meer dan 11 miljard euro te versmelten met het vermogen van de centrale overheid. Noodzakelijke en onmisbare taken die nu door de provincies worden uitgevoerd kunnen in de toekomst door enkele rijksdiensten worden overgenomen. Opheffing van de provincies betekent een hoop minder bestuurlijke drukte, een slagvaardiger overheid en vooral: minder geldverspilling en lastenverlichting. Niet alleen voor de inwoners van Gelderland, zoals blijkt uit bovenstaand rekenvoorbeeld, maar voor alle belastingbetalers. Je zou wensen dat het kabinet morgen begint aan de vereiste wijziging van de Grondwet.