Vermoeiende bruiloften

Het nichtje van Lu gaat trouwen en verlaat het platteland.

‘Je weet niet waar je aan begint”, zegt Xin, een 25-jarige tolk. „Chinese bruiloften zijn verschrikkelijk.” De laatste paar jaar heeft ze er wel twintig meegemaakt. „De een nog groter dan de andere”, verzucht ze. Haar man, leraar Engels op een universiteit, voegt toe: „Het ergste is je eigen bruiloft. Je voelt je alsof je in de beklaagdenbank voor de rechter staat.” Xin knikt, een jaar geleden zijn zij getrouwd. „Vierhonderd gasten waren er: zijn vader wilde het zo.” Lu haalt berustend zijn schouders op. „Het gaat om zijn gezicht. Het gezicht van de familie. Traditie.” Dit weekend trouwt zijn nichtje in een kleine stad ten noorden van Sjanghai.

Bij de bushalte wacht de bruidegom ons op in een zwarte auto. Hij rijdt ons naar het appartement waar hij kort geleden met de bruid in is getrokken. „Zijn vader is een zakenman, zijn familie is rijk”, licht Lu toe.

In het trappenhuis ruikt het naar drogend cement. Bij de voordeur doen we onze schoenen uit om de nieuwe parketvloer te sparen. Drie ruime slaapkamers heeft het jonge paar ter beschikking en twee badkamers. De woonkamer is zeer ruim en staat vol meubels met buizen van chroom. Weggezonken in een bank zit een kleine oude vrouw, gekleed in een traditionele Chinese blouse met knopen van stof: de grootmoeder van de bruid en van Lu. Ze laat een kakelende lach horen als ik haar vraag hoe haar huwelijk verliep. „Er waren geen nieuwe appartementen in die tijd en aan een bruidstoilet hoefde ik niet te denken.” Dan zwijgt ze en lijkt verloren te raken in het verleden. „Mijn grootmoeder was een wees en heel arm”, legt Lu uit. „Ze is als jong meisje bij de familie van mijn grootvader komen wonen.” Misschien was ze wel aan haar schoonfamilie verkocht, bedenk ik, dat was niet ongewoon in die tijd. Meisjes in een dergelijke situatie werden vaak behandeld als slavinnen.

Om zeven uur die avond melden we ons bij restaurant ‘Het keizerlijk paleis’. Ondertussen hebben bruid en bruidegom een metamorfose ondergaan. Ze zijn door de medewerkers van een speciaal trouwbedrijf gekapt en gekleed. De bruidegom is in een zwart pak gestoken, in zijn revers prijkt een roos. De prachtige bruid straalt in een witte jurk. We laten het paar achter onder een roze boog in de hal, wij nemen plaats aan een van de ronde tafels in een grote zaal. Taxerend kijkt Lu rond. „Vijftig tafels, een grotere bruiloft dan de onze”, stelt hij een beetje teleurgesteld vast.

Oorverdovende muziek barst los. Als het bruidspaar over een rode loper binnenschrijdt, daalt er een regen van confetti op hen neer. Ze worden gevolgd door zuurstokkleurige lichtbundels terwijl een ceremoniemeester op een podium in een microfoon schettert. Als de jonge mensen zich bij hem gevoegd hebben, moeten ze elkaar trouw beloven. Nu beklimmen de wederzijdse ouders het podium. Het bruidspaar betuigt respect door een kleine buiging voor hen te maken. Ondertussen hebben obers schalen met eend, krab en vis op onze tafel gezet, maar er is geen tijd om te eten. Een zangeres die kwelend door de zaal wandelt, deelt teddybeertjes uit. Een man wint een slof sigaretten omdat hij drie minuten achter elkaar kan lachen. Wie als eerste weet door te dringen tot de mobiele telefoon van de ceremoniemeester, krijgt een roze hart. De verliezers trommelen op de tafels. Er wordt gelachen en geschreeuwd.

Doodop en half doof slepen we ons naar een gehuurd minibusje waarin de kleine grootmoeder al een plaatsje heeft gevonden. Door een mistige nacht rijden we naar het dorp waar haar boerderij staat. De boerderij waar Lu zijn jeugd doorbracht totdat zijn vader werk in de stad vond.

Lu en Xin maken een groot donkerhouten bed voor mij in orde, in een bijgebouw onder een schuin pannendak. „Zoveel kamers die altijd leeg staan”, laat Lu zich ontvallen. „Mijn grootmoeder blijft hopen dat haar zoons of hun kleinkinderen terugkomen, maar we hebben nu allemaal een leven in de stad.”

Als we de volgende ochtend een wandeling maken, blijkt dat vrijwel iedereen het dorp heeft verlaten. Een paar oude mensen schoffelen in een groentetuin, het schooltje, waar Lu leerde lezen en schrijven, is gesloten. „Nog een paar jaar”, treurt hij. „Dan zijn hier alleen maar dichtgespijkerde deuren.”

We wandelen over een dijkje langs een rijstveld. Vanuit de verte zien we grootmoeder druk in de weer op haar erf. Voordat wij op waren, had zij het fornuis al opgestookt en rijstepap voor iedereen gekookt. Ik denk aan haar kleindochter, de kersverse bruid, die net zoals Lu in dit dorp opgroeide en vanochtend wakker werd in haar gloednieuwe appartement. Chinezen doen meestal alsof het mannenoverschot hen niet aangaat, maar een mooi boerenmeisje als zij strikken is niet eenvoudig geworden. Een toekomst van zwoegen op het land had ze nooit geaccepteerd.

In de deur van een naburige boerderij staat een vrouw. Lu zwaait naar haar. „Mijn tante, de moeder van de bruid”, zegt hij. Nu pas herken ik haar, ze is met ons meegereden in het minibusje. In haar werkkleren ziet ze er heel anders uit.

Ze roept iets. „Wat vindt de buitenlandse van ons dorp?”, vertaalt Lu haar woorden. „Prachtig!” antwoord ik, gebarend naar de rijstvelden. We zien de vrouw een zware zak op haar rug slingeren. „Niet zo mooi als de stad!” roept ze terug.