Van Zweden stileert ‘Butterfly’

Voorstelling: Madama Butterfly van Puccini door De Nederlandse Opera, Residentie Orkest o.l.v. Jaap van Zweden. Regie: Robert Wilson. Gezien: 9/3 Muziektheater, Amsterdam. Te zien t/m 11/4, aldaar.

Al in 2003 maakte Jaap van Zweden als invaller in Beethovens Fidelio officieus zijn debuut bij De Nederlandse Opera. Gisteravond debuteerde hij er ‘echt’, in een reprise van Puccini’s opera Madama Butterfly. Voor de toekomst heeft De Nederlandse Opera nog niets met Van Zweden gepland. Zijn medewerking aan Wagners Der Ring des Nibelungen bij de Reisopera (vanaf 2009) moest hij afzeggen vanwege een chef-dirigentschap in Dallas.

Regisseur Robert Wilson ontwikkelde zijn zeer gestileerde visie op Puccini’s met sentimenten doordesemde opera Madama Butterfly al veertien jaar geleden voor de Opéra Bastille in Parijs. Maar voor veroudering is de tijdloze enscenering ongevoelig. Alle personages en hun relaties zijn – in dit geval vooral door Wilsons assistent Guiseppe Frigeni – uitgewerkt tot in de finesses, met gebaren die ontleend zijn aan het Japanse Nôh-theater.

Bij de vorige productie, in 2003 onder leiding van Edo de Waart, ontstond daardoor een wringend contrapunt tussen Puccini’s tot wenen dwingende noten en de minimalistisch verstilde choreografie op het toneel. Jaap van Zweden kiest voor een benadering die ook muzikaal de pathetiek zoveel mogelijk buitensluit. Zijn Butterfly vlindert fris, in vlotte tempi. Het mooi afgewerkt spelende Residentie Orkest bewaart de klappen voor waar het noodlot toeslaat, en pakt niet uit waar boze tijdingen slechts aan de deur kloppen bij de 15-jarige Japanse Cio-Cio-San alias ‘Butterfly’. Door haar Amerikaanse ‘echtgenoot’ Pinkerton is zij na één nacht bezwangerd achtergelaten in het prefab-liefdesstulpje, waar zij vervolgens met haar blauwogige zoontje vergeefs wacht op papa’s terugkomst.

Doorgaans is zo’n verhaal, uitmondend in Butterfly’s rituele zelfdoding, niet met droge ogen aan te zien. Maar de mix van Wilsons prachtige maar strenge esthetiek met Van Zwedens keus voor controle en helderheid in de plaats van smeltende sentimentalità, houdt de toeschouwer op afstand.

Aan dat effect draagt de cast bij. Het ruwe geluid van Richard Leech past weliswaar bij het personage Pinkerton, maar zelfs zijn liefdesfluisteringen doen wat cynisch aan. Adina Nitescu is vocaal eerder een rijpe Tosca dan een prille Butterfly – soms mooi van klank, maar al te aards om de naïeve schoonheid van Un bel di’ vedremo geheel te doen opbloeien. Hart van de voorstelling én cast is Anthony Michaels-Moore als de wijze Amerikaanse consul Sharpless. Hij voorspelt én maakt hoorbaar dat vlindervleugeltjes er niet zijn om gebroken te worden.