Toe nou Stooges!

The Stooges-The Weirdness (Virgin/EMI)

Het was een van de hoogtepunten van het afgelopen Lowlandsfestival, nee, van alle veertien Lowlands-edities: het reünieoptreden van The Stooges. Rockbeest Iggy Pop klonk immers nooit meer zo goed en grensverleggend als op de twee eerste albums van die band. En dat gebeurt niet meer ook. Het onvermijdelijke reüniealbum kan niet in de schaduw staan van dat woeste feest in de polder, en al helemaal niet van The Stooges (’69) en Fun House (’70).

The Weirdness is nog niet eens een routineuze herhalingsoefening, ’t is een zielig aftreksel van wat ooit zo bijzonder, nieuw, schokkend, invloedrijk en over het hoofd gezien was (want die twee Stooges-platen verkochten destijds natuurlijk voor geen meter). Iggy en zijn mannen klinken nu als een punkband op leeftijd, die ergens in de verte de klok heeft horen luiden. Dankzij de productie van undergroundcoryfee Steve Albini klinkt de boel als een klok, maar toch wringt daar de schoen.

Natuurlijk, de bliksem slaat zelden tweemaal op dezelfde plek in, laat staan driemaal. Op die eerste twee platen vonden The Stooges bijna eigenhandig hun kaalgeslagen rockvariant uit. Die trokken ze op uit nogal onverwachte en niet direct thuis te brengen bronnen: de avant-garde van John Cage en aanverwanten, de klanken die toen nog geen wereldmuziek mochten heten, slechte comedy (als de beroemde reeks The Three Stooges, tel maar na), zwarte muziek. De baspartijen van wijlen Dave Alexander hadden op hun best een heupschuddende, hedonistische kwaliteit, de verschroeiende wah-wah-partijen van Ron Asheton zochten naar een nieuwe geluidentaal en in de woeste saxpartijen van Steve Mackay op Fun House klonk extatische freejazz door.

Niks van dat al op The Weirdness. Al die exotische invalshoeken, destijds zo spannend bijeengehouden met Iggy’s oerschreeuw, zijn drastisch uitgegumd. De baspartijen van nieuwkomer Mike Watt vallen in de mix nauwelijks te horen en zijn bovendien schrijnend simpel.

Droogkloot Albini, een man van grote verdiensten waar humor en hedonisme niet bij horen, heeft ook de wah wah achter slot en grendel gepleurd, zodat Ron Asheton is veroordeeld tot een monolithisch, ongenuanceerd geluid. De drums van broer Scott klinken enorm opgeblazen, terwijl Mackay hier en daar lukraak zijn sax in de mond steekt. Iggy klinkt maar matig bij stem en komt niet verder dan gênante tekstflarden als ‘My idea of fun/ Is killing everyone’. Toe nou toch Iggy! Toe nou toch Stooges!

JACOB HAAGSMA