Sta iedereen dubbele nationaliteit toe, maar wijs op de nadelen en let op conflicten

De huidige regels voor dubbele nationaliteit zijn onlogisch. Niet alle nationaliteiten hebben dezelfde rechten. En de kansen van belangenconflicten moeten veel beter worden onderzocht.

Ruud Koopmans

Hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit. Promoveerde in 1992 op het proefschrift ‘Democracy from Below. New Social Movements and the Political System in West Germany’. Van 1994 tot 2003 werkzaam bij het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung.

Wie zich in de problematiek van de dubbele nationaliteit verdiept, kan niet om de conclusie heen dat de huidige praktijk in Nederland een gedrocht is.

Om te beginnen is er sprake van een contrast tussen de letter en geest van de wetgeving en de uitvoeringspraktijk. Volgens de wet zou in principe iedereen die de Nederlandse nationaliteit wil verkrijgen zijn oorspronkelijke nationaliteit moeten opgeven, behoudens een aantal uitzonderingen. Echter, in de praktijk behoudt ongeveer tachtig procent van degenen die de Nederlandse nationaliteit verkrijgen de oorspronkelijke nationaliteit. Dit is slechts in beperkte mate het gevolg van het feit dat een aantal landen het opgeven van hun nationaliteit niet toestaat. Dat zijn zeventien van de pakweg tweehonderd onafhankelijke staten die de wereld rijk is, en maar één land dat een belangrijk herkomstland van immigranten in Nederland is – Marokko. Dat we toch zo veel naturalisaties hebben waarbij de oorspronkelijke nationaliteit behouden wordt, komt doordat ook in de meeste andere gevallen de uitzondering tot regel is geworden. Turken die Nederlander worden, behouden bijvoorbeeld nagenoeg altijd de Turkse nationaliteit, hoewel de Turkse wet het opgeven van die nationaliteit niet in de weg staat. Officieel moeten Turken die Nederlander willen worden aantonen dat ze onder één van de uitzonderingsregels vallen, maar in de praktijk lijkt het enkele feit van het bezit van de Turkse nationaliteit een uitzonderingsregel te zijn geworden.

De twintig procent naturalisaties waarbij de oorspronkelijke nationaliteit wel verloren gaat, zijn voor het grootste deel niet het gevolg van een consequente toepassing van de Nederlandse naturalisatiewetgeving. In deze gevallen gaat het namelijk vaak om mensen die afkomstig zijn uit landen waarvan de onderdanen volgens de wetgeving van die landen automatisch de nationaliteit verliezen wanneer ze een andere aannemen. Dat geldt voor heel wat meer landen dan de zeventien waarvan je de nationaliteit nooit kwijtraakt. Surinamers, Chinezen, Indonesiërs, Somaliërs en Indiërs zijn voorbeelden van migrantengroepen die bij naturalisatie tot Nederlander automatisch hun oorspronkelijke nationaliteit verliezen. Een ander deel van de naturalisaties waarbij de oorspronkelijke nationaliteit verloren gaat, bestaat uit mensen die uit België, Duitsland, Italië en een reeks andere lidstaten van de Europese Unie afkomstig zijn. Met die landen heeft Nederland namelijk een verdrag afgesloten dat bepaalt dat wie zich tot staatsburger van het ene land laat naturaliseren, de nationaliteit van het andere land automatisch verliest. Terwijl velen hun oorspronkelijke nationaliteit mogen behouden, geldt dit dus juist niet voor degenen die afkomstig zijn uit onze buurlanden met wie we ons op het pad van de Europese eenwording hebben begeven. Voor wie dat nog niet gek genoeg is: als Nederlanders in het buitenland een andere nationaliteit aannemen, verliezen ze automatisch hun Nederlandse nationaliteit. Volgens de Nederlandse wet, wel te verstaan. Als een Turk in Nederland Nederlander wil worden, mag hij zijn Turkse nationaliteit behouden. Maar als een Nederlander in Turkije Turk wil worden, moet hij van de Nederlandse overheid zijn Nederlandse pas opgeven.

De vraag rijst hoe intentie en uitvoering van de wetgeving dichter bij elkaar gebracht kunnen worden en hoe de rechtsongelijkheid die uit de huidige praktijk resulteert, voorkomen kan worden. Dat kan op twee manieren: door het beperken van de mogelijkheden voor een dubbele nationaliteit, of door het opgeven van het principe dat de dubbele nationaliteit vermeden dient te worden. Voor het eerste pleit dat, in tegenstelling tot het beeld van de onproblematische combinatie van meerdere paspoorten dat vaak geschetst wordt, er wel degelijk nadelen kleven aan de dubbele nationaliteit.

De Nederlandse nationaliteit is net als die van de meeste andere westerse democratieën een uitgeklede vorm van staatsburgerschap. Je krijgt er nauwelijks extra rechten door – behalve het stemrecht op provinciaal en landelijk niveau – en vooral zijn er sinds de dienstplicht is afgeschaft geen plichten aan verbonden die je niet ook al als ingezetene van Nederland hebt.

Wanneer beide nationaliteiten van dat type zijn, kleeft er inderdaad geen enkel probleem aan de dubbele nationaliteit omdat de ene nationaliteit geen plichten oplegt die met de andere nationaliteit zouden kunnen botsen. Maar juist dat soort dubbele nationaliteiten verbieden wij dus in Nederland. Van mensen uit verre landen mogen wij blijkbaar niet verlangen dat zij hun nationaliteit opgeven vanwege de emotionele bindingen die zij met hun landen van oorsprong koesteren, maar Belgen, Duitsers of Nederlanders zijn kennelijk uit een taaier hout gesneden. Zoals zo vaak in het Nederlandse multiculturalismediscours wordt de niet-westerse allochtoon als een zielig kasplantje neergezet, dat met de grootste omzichtigheid en zorg behandeld dient te worden. Van kerels en meiden van degelijk Europese makelij kan klaarblijkelijk verwacht worden dat ze een beetje meer eelt op hun ziel hebben.

Veel van de herkomstlanden waarbij we de dubbele nationaliteit wel toestaan, hebben juist staatsburgerschapsopvattingen die niet van het liberaal-democratische soort zijn. Die landen kennen vaak wetgeving die sterk afwijkt van de Nederlandse. Dat kan voor iemand met een dubbele nationaliteit tot problemen leiden wanneer hij het land van herkomst bezoekt. Op dat moment staat de desbetreffende staat namelijk volkomen in zijn recht als hij deze persoon net zo behandelt als zijn andere onderdanen en staat de Nederlandse diplomatieke dienst machteloos. Het familierecht van sommige van die landen is – zoals we niet zo lang geleden in het geval van Syrië hebben gezien – sterk in het voordeel van de man, en Nederlandse vrouwen met de dubbele nationaliteit van zo’n land doen er daarom verstandig aan manlief niet te veel tegen zich in het harnas te jagen.

Ook kun je als drager van de dubbele nationaliteit van sommige landen beter op je tellen passen als je overweegt om je kritisch uit te laten over de politieke of religieuze leiders van het land van herkomst. Als Iraanse Nederlander met een dubbele nationaliteit is het onverstandig om kritiek op het regime of op de islam te uiten, tenzij je er prijs op stelt bij het volgende bezoek de Iraanse gevangenissen van binnen te zien. Een ander voorbeeld is Turkije, waar het strafbaar is als je zegt dat er genocide op de Armeniërs heeft plaatsgevonden, als je beweert dat Atatürk een homo was, of zelfs als je de gevangenzittende PKK-leider Öcalan met ‘mijnheer’ aanduidt. Die wetgeving geldt nadrukkelijk ook voor mensen met de Turkse nationaliteit die in het buitenland wonen. Sterker nog, volgens artikel 301, lid 3 van de Turkse strafwet wordt de straf op het beledigen van de Turkse identiteit met een derde verhoogd wanneer de desbetreffende uitlatingen in het buitenland gedaan worden. Een ander probleem is de dienstplicht, die in veel landen nog bestaat. Nederlanders met een dubbele nationaliteit van die landen kunnen voor de dienstplicht aldaar worden opgeroepen en duizenden Nederlanders vervullen die plicht aan een ander land. Turkije is daarvan het belangrijkste voorbeeld. Turks-Nederlandse mannen moeten tot hun 39ste jaar in Turkije vijftien maanden dienstplicht vervullen, die ze echter gedeeltelijk af kunnen kopen voor een bedrag van iets meer dan 5.000 euro. Zelfs dan moeten ze echter nog een militaire basisopleiding van een maand in Turkije vervullen.

Er is niettemin veel voor te zeggen om het behoud van zulke verplichtingen jegens het land van herkomst als een individuele keuze te beschouwen. Als iemand zijn vrijheid van meningsuiting wil inperken om de autoriteiten in het land van herkomst niet voor het hoofd te stoten of als iemand per se de dienstplicht in dat land wil vervullen, moet iedereen dat voor zichzelf weten. Bij een individuele keuze zou dan wel moeten horen dat je ook zelf de consequenties van die keuze draagt. Echter, geloof in de zelfredzaamheid van de niet-westerse allochtoon is nooit een sterke kant van het Nederlandse integratiebeleid geweest en daarom reikt de Nederlandse overheid in sommige gevallen graag de helpende hand. Wie als Turkse Nederlander bij de politie of in het Nederlandse leger werkzaam is, kan aanspraak maken op een renteloze lening van 6.000 euro alsmede een maand buitengewoon verlof, met behoud van bezoldiging. Op uw volgende vakantie in Turkije kunt u dus trots zeggen dat u als Nederlandse belastingbetaler uw steentje aan de financiering van het Turkse leger hebt bijgedragen.

Afgezien van dit soort multiculturele gekkigheden die zelfs anno 2007 in Nederland nog welig tieren, blijft staan dat de keuze om verplichtingen ten aanzien van een ander land te vervullen in de eerste plaats een individuele keuze is zolang je er andere Nederlanders of het Nederlandse staatsbelang niet mee schaadt. Zo bezien pleit er dus iets voor om dubbele nationaliteiten toe te staan. Een bijkomende reden voor zo’n keuze is dat ook bij een striktere toepassing van de huidige wetgeving of bij een beperking van het aantal uitzonderingen de dubbele nationaliteit in veel gevallen zal blijven bestaan. Voor erkende vluchtelingen is het vaak risicovol om contact op te nemen met de autoriteiten in het herkomstland met het verzoek de nationaliteit van dat land op te geven. Kinderen van ouders met twee nationaliteiten vormen een andere categorie die een uitzondering zal blijven. Net als de meeste andere landen eist Nederland niet dat zij tussen de nationaliteiten van hun ouders kiezen. En ten slotte is er veel te zeggen voor een liberalisering van de Nederlandse naturalisatiewetgeving in de zin dat in Nederland geboren kinderen van ouders die gedurende langere tijd legaal in Nederland hebben verbleven, automatisch bij geboorte Nederlands staatsburger worden – net zoals dat in landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten het geval is. Zo’n wet zou een heldere boodschap afgeven dat als je hier geboren bent, je automatisch Nederlander bent, ongeacht waar je ouders ooit vandaan gekomen zijn. Invoering van dat zogeheten jus soli-principe leidt echter onvermijdelijk tot dubbele nationaliteiten omdat die kinderen veelal ook de nationaliteit van hun ouders kunnen verkrijgen volgens het recht van het land van herkomst.

Het is daarom beter om de wet zo te wijzigen dat de dubbele nationaliteit voor iedereen wordt toegestaan. Gezien de nadelen die er aan de dubbele nationaliteit in veel gevallen kleven, zou het echter verstandig zijn als het een standaardonderdeel van de naturalisatieprocedure zou worden dat informatie wordt verstrekt over de nadelige consequenties die het behouden van de oorspronkelijke nationaliteit kan hebben. Wie die consequenties kennende toch voor behoud van de oorspronkelijke nationaliteit kiest, doet dit op eigen risico. Daarbij hoort natuurlijk dat regelingen als die bij de politie en het leger die de consequenties van de dubbele nationaliteit ten laste van de Nederlandse overheid laten komen, beëindigd worden. En verder moet de rechtsongelijkheid opgeheven worden en moeten we af van de bestaande verdragen met EU-lidstaten en de regeling ten aanzien van Nederlanders in het buitenland, die de dubbele nationaliteit verbieden.

Maar daarmee hebben we één belangrijk probleem nog niet opgelost. Voor de gemiddelde burger kunnen we weliswaar volhouden dat het behoud van de oorspronkelijke nationaliteit een individuele keuze is, maar als het gaat om bepaalde functies in overheidsdienst kan wel degelijk ook het algemeen belang in het geding komen. Wat te denken van die Turks-Nederlandse militairen, die we zo ruimhartig helpen hun Turkse dienstplicht te vervullen? In wat voor positie komen zij wanneer Turkije in oorlog zou raken en een mobilisatie afkondigt? Gezien de buurlanden waaraan Turkije grenst, is dit geen ondenkbaar scenario. Ook directe confrontaties tussen het Nederlandse en het Turkse leger zijn, hoewel beide landen NAVO-lid zijn, niet onmogelijk. Turkse en Amerikaanse militairen kwamen bijvoorbeeld in 2003 in Noord-Irak met elkaar in conflict, een incident waarover de extreem-nationalistische film Kurtlar Vadisi is gemaakt, die in Turkije volle bioscoopzalen trekt.

In wat voor onmogelijke positie zouden Turks-Nederlandse militairen zijn terechtgekomen als Nederlandse troepen in het noorden in plaats van het zuiden van Irak gestationeerd waren geweest? Natuurlijk zou iemand van Turkse herkomst het mogelijk ook zonder Turks paspoort moeilijk met zo’n situatie gehad hebben, maar het is wat anders als je ook als onderdaan en dienstplichtige een juridische plicht ten aanzien van Turkije hebt. Dit voorbeeld kan niet worden afgedaan door voor te stellen dat militairen met een dubbele nationaliteit in zulke gevallen thuis kunnen blijven of een functie buiten de gevechtslinie kunnen krijgen. Dat lijkt een oplossing zolang het om een paar gevallen gaat, maar dat zal niet zo blijven aangezien het aantal houders van een dubbele nationaliteit snel toeneemt. Bovendien betekent een succesvolle diversificatie van het personeelsbestand van het Nederlandse leger dat houders van dubbele nationaliteiten ook in hogere officiersfuncties terecht kunnen komen. Je kunt toch moeilijk een generaal thuislaten omdat hij anders het risico loopt met zijn verplichtingen jegens een ander land in conflict te komen.

Soortgelijke problemen spelen bij de kwestie die de afgelopen weken centraal stond. Wanneer iemand Kamerlid of bewindspersoon wordt, houdt de dubbele nationaliteit op een individuele keuze te zijn. Volgens artikel 67 van de Nederlandse Grondwet moeten Kamerleden ‘zonder last’ hun werk kunnen doen, wat betekent dat zij geen andere verplichtingen hebben die hun stemgedrag en uitlatingen zouden kunnen beïnvloeden. Het is om die reden goed gebruik dat Kamerleden nevenfuncties waaruit zulke verplichtingen zouden kunnen voortvloeien, opgeven. Bovendien stipuleert artikel 71 van de Grondwet: „De leden van de Staten-Generaal, de ministers, de staatssecretarissen en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte vervolgd of aangesproken worden voor hetgeen zij in de vergaderingen van de Staten-Generaal of van commissies daaruit hebben gezegd of aan deze schriftelijk hebben overlegd”. Het is prachtig dat de Nederlandse wet op die manier de onafhankelijkheid van Kamerleden en bewindslieden garandeert, maar doet de Turkse of Iraanse wet dat ook, of, for that matter, de Amerikaanse? Kunnen Nederlandse politici vrijelijk spreken zonder repercussies in het land van herkomst te moeten vrezen? De ervaringen met de Armeense kwestie in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen stemmen niet hoopvol. De Turks-Nederlandse aspirant-Kamerleden waar de affaire om draaide, wijzigden hun positie letterlijk van de ene dag op de andere nadat in de Turkse media ophef over hun erkenning van de genocide was ontstaan en de nationalistische advocaat Kemal Kerincsiz – dezelfde die ook Orhan Pamuk en wijlen Hrant Dink voor het gerecht sleepte – dreigde de Turks-Nederlandse politici te vervolgen wegens belediging van de Turkse identiteit volgens het gewraakte artikel 301.

Een andere kwestie is hoe het zit met militaire dienstverplichtingen in het buitenland van mannelijke Kamerleden en bewindslieden met een dubbele nationaliteit. Zou een mannelijk Turks-Nederlands Kamerlid in geval van oorlog opgeroepen kunnen worden voor dienst in het Turkse leger?

Ik koester geen enkele sympathie voor Geert Wilders, die het naar eigen zeggen uiteindelijk om de islamitische achtergrond van Kamerleden en bewindslieden te doen is. Maar hij heeft wel degelijk een punt als het gaat om het mogelijk problematische karakter van dubbele nationaliteiten van landelijke politici. Niet omdat we aan de loyaliteit van die politici moeten of mogen twijfelen (ik ben zelf Aboutaleb-stemmer, dus daar gaat het mij niet om), wel omdat de landen van herkomst loyaliteit van hen kunnen verlangen en zij in die zin dus niet vrij van last hun werk kunnen doen. Die verplichtingen als onderdaan van een ander land worden niet weggenomen door het afleggen van een eed op de Nederlandse grondwet, want die eed neemt die buitenlandse verplichtingen niet weg.

Er is dus veel te zeggen voor een gedifferentieerde omgang met dubbele nationaliteiten: ze kunnen worden toegestaan zolang men maar goed geïnformeerd wordt over de mogelijke nadelen en zolang de consequenties een puur individuele kwestie zijn. Of dat ook op militairen en landelijke politici van toepassing is, is een legitieme vraag, die dringend beantwoord moet worden. Wie meent dat nationaliteiten in alle gevallen zonder problemen met elkaar gecombineerd kunnen worden, denkt blijkbaar dat de wereld een soort Tele-tubbieland is waar de konijntjes vrolijk rondhuppelen en alle landen voortdurend met elkaar aan het knuffelen zijn. Het zou mooi zijn als het waar was, maar helaas leven we nog steeds in een wereld waar staten met elkaar in conflict kunnen raken en waar veel staten een andere opvatting hebben over de plichten van een onderdaan dan wij in Nederland.