Ronald minister

Ronald Plasterk minister. Het is al oude koek, maar in het wetenschappelijk wereldje blijft het rondzoemen. Nooit eerder in Nederland werd een echte onderzoeker minister. Jo Ritzen was hoogleraar, maar kwam uit de softe wetenschapssector. Deetman en Hermans waren competente managers, maar hadden geen onderzoekservaring. Job Cohen was hoogleraar, een uitstekende staatssecretaris voor wetenschap, maar als jurist geen kenner van het gros van het Nederlandse onderzoek, dat nu eenmaal in de exacte hoek wordt gedaan. En Maria van der Hoeven, tja Maria. Ronald Plasterk is de eerste op deze post die zijn leven in een lab heeft doorgebracht en die het wetenschaps- en innovatiebeleid van binnenuit kent.

Ik denk daarom dat Plasterk een aantal hete hangijzers in het wetenschapsbeleid gaat aanpakken, die zijn voorgangers hebben laten hangen. Om niet de waan van de dag te volgen, licht ik een paar hangijzers uit het rapport over de evaluatie van NWO (de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek), tien jaar geleden geproduceerd door de Commissie Rinnooy Kan. Dat rapport pleitte ervoor om NWO een centrale rol te geven in de sturing van het Nederlandse onderzoek en om boter bij de vis te doen. Meer geld vinden is eenvoudig, want in Nederland vloeit veel geld buiten NWO om naar onderzoek, zonder dat sprake is van stringente kwaliteitsbewaking. Denk aan het aardgasgeld, dat bijna geheel langs NWO naar onderzoekers is gevloeid. Wie deelde in deze bonanza had uiteraard geen bezwaar, maar ik heb nog geen onderzoeker gesproken die vindt dat de kwaliteitscontrole bij deze aardgasgeldstroom sluitend was. Dat geld moet voortaan naar NWO.

De Commissie Rinnooy Kan beval ook aan om de kosten van NWO-onderzoeksprojecten dekkend te maken. Wat nu gebeurt is dat een universitaire onderzoeker geld krijgt voor een of twee extra medewerkers, maar dat de universiteit de bijkomende kosten voor die extra werkkrachten zelf op moet brengen. Dat is het “matchingprobleem”. Matching maakt het moeilijk voor NWO om een effectief beleid te voeren, want inpassing van grote subsidiebedragen vereist een moeizame budgetaanpassing bij de universiteit. Onderzoekers kunnen ook niet makkelijk switchen naar een andere universiteit, omdat die dan ook weer grote bedragen bijeen moet sprokkelen voor de matching. Zo wordt concentratie van talent bemoeilijkt. In Amerika is het matchingsprobleem opgelost doordat overheidsinstanties subsidie geven inclusief alle bijkomende kosten, de overheadcomponent. Dat is mede bepalend voor het succes van de Amerikaanse wetenschap. Ook in Nederland zou dat moeten gebeuren.

Deze aanpassingen in de positie en werkwijze van NWO komen tegemoet aan een van de belangrijkste bezwaren van parlementsleden tegen de academische wetenschap: gebrek aan transparantie. Als het geld dat de gemeenschap besteedt aan onderzoek loopt via NWO, kan het parlement iedere cent natellen en kan het parlement ook via een krachtige coördinerende minister voor wetenschap invloed uitoefenen op de onderzoeksprioriteiten. Dat wordt nu mogelijk, want Plasterk heeft binnen het kabinet een coördinerende rol voor het wetenschapsbeleid, waardoor het touwtrekken tussen Economische Zaken (aardgasgelden!) en OC&W tot het verleden gaat behoren. Plasterk wordt ook vice-voorzitter van het Innovatieplatform en hij kan dus over de hele linie het wetenschapsbeleid sturen. Ook dit was trouwens al een aanbeveling van de Commissie Rinnooy Kan: maak de minister van OC en W verantwoordelijk voor al het overheids-gefinancierde onderzoek.

De Commissie Rinnooy Kan was tien jaar geleden bezorgd dat NWO, in een wanhopige poging om meer geld van Den Haag te krijgen, te veel opschoof naar het toegepaste onderzoek. Inmiddels is dat alleen maar erger geworden. De Nederlandse onderzoeker moet zich in steeds meer bochten wringen om zijn/haar onderzoek in een prioriteitsprogramma te persen en om aan te tonen hoe Nederland door zijn proeven beter/rijker/schoner/gezonder wordt. De afgedwongen samenwerking met de industrie is ook geen pretje. Plasterk zou in staat moeten zijn om dit tij te keren en de ruimte voor fundamenteel, door onderzoekers geïnitieerd onderzoek te vergroten.

Plasterk heeft de wetenschap een goede naam bezorgd. Een wereldberoemd onderzoeker en toch geen wereldvreemde sul. Ingewikkelde proeven met wurmen, maar toch begrijpelijke taal. Als geen ander kan hij uitleggen dat wetenschap leuk en nuttig is. Nu is dan de politiek aan de beurt. Ik denk dat hij in staat zal zijn om uit te dragen dat politiek geen ver-van-mijn-bed-show is.

Dat Plasterk meer onderzoeker is dan parlementair politicus lijkt mij ook een voordeel. Een onderzoeker zoekt oplossingen en schakelt flexibel over naar een andere aanpak. Een onderzoeker poogt niet coûte que coûte gelijk te krijgen en een ideologie uit te dragen. Een onderzoeker is ontvankelijk voor kritiek: de criticus kan gelijk hebben en dat spaart tijd op weg naar de beste oplossing. Aan het Haagse gepietepeuter, het puntjes scoren, het vliegen afvangen, dat politiek zo’n slechte naam bezorgt, zal Plasterk vast niet mee gaan doen.

Kan dat wel, een columnist die minister wordt? Columnisten worden geacht hun standpunt scherp aan te zetten, bestuurders zoeken naar compromissen. Dat zijn twee verschillende rollen, maar die zijn prima in één persoon te verenigen, zoals Plasterk heeft laten zien. In de wetenschap geldt hij als een charmant en gewiekst onderhandelaar, die snel informatie vergaart en redelijke compromissen uitdenkt. Dat hij zijn standpunten ook nog in pront proza kan gieten is mooi meegenomen. Het Haagse taaltje kan wel een schilderbeurt gebruiken.

De vraag is wel of iemand die placht samen te werken met Nobelprijswinnaars geboeid zal blijven door de parlementaire debatten. Luisterend naar geleuter zal Plasterk nog wel eens terugdenken aan zijn onderzoek dat zo goed liep toen hij naar Den Haag vertrok. Nog in januari 2007 verscheen een stuk van Plasterk in Science, een tijdschrift waar de meeste onderzoekers alleen van kunnen dromen. Hij zal het ook moeilijk krijgen met de onredelijkheid van een oppositie, die alleen uit is op conflict, op het onderuithalen van een politieke tegenstander, niet op een redelijk alternatief. Niet makkelijk voor iemand die gewend is aan de consensus waar wij in wetenschappelijke kring meestal mee werken.

Dat Plasterk van alle markten thuis is en graag meepraat over levensbeschouwelijke kwesties en bio-ethiek vind ik een geruststellende gedachte. De christelijke partijen, die een minderheid vormen in de Tweede Kamer, zijn de baas in dit kabinet. Het is dan prettig te weten dat de kabinetsvergaderingen zullen worden bijgewoond door een echte atheïst, die de scheiding van kerk en staat zal bewaken en die zorgt dat dit kabinet niet achteloos de Verlichting dooft. Ik ben ook niet gerust op de nieuwe minister van VWS, Ab Klink. Aardige, intelligente man, maar een echte studeerkamergeleerde, die één van de meest complexe ministeries moet gaan besturen, een ministerie dat net een enorme aardverschuiving in de gezondheidszorg in gang heeft gezet. Ook Klink kan wel wat steun gebruiken van de bestuurlijk gewiekste Plasterk.

Een sober bestuur met minder ambtenaren wil het nieuwe kabinet en daaraan kan Plasterk een bijdrage leveren. Hij is gerijpt in de bestuurscultuur van het Nederlands Kanker Instituut-Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, waar de meewerkend voorman de dienst uitmaakt en de overhead tot een minimum is teruggebracht. Plasterk kan delegeren en heeft een hekel aan onnodig vergaderen. Voor ambitieuze ambtenaren een ideale baas, maar wel een baas van minder ambtenaren, want onnodige overheidsbemoeienis zal Plasterk kappen.

Ik geef toe, ik ben bevooroordeeld, want ik ken Plasterk goed, maar ik denk echt dat hij een goede minister wordt. Hij dwingt niet alleen respect af door zijn verstand, werkkracht en efficiency, als Macher en communicator, maar hij wint ook makkelijk loyaliteit door zijn warmte en directheid. Het is jammer voor de moleculaire genetica en voor ons als naaste collegae dat hij naar Den Haag is vertrokken. Maar daar staat veel tegenover. Onderwijs, wetenschap en cultuur in Nederland gaan een mooie tijd tegemoet. En de parlementaire democratie krijgt een opkikker.