Punische taal werd gebruikt tot in de zevende eeuw

Het Punisch is veel langer een levende taal geweest dan tot nu toe aangenomen. Tot in de zevende eeuw, toen de islam zijn intrede deed, is het in Noord-Afrika gewoon gebruikt. Het was zelfs de moedertaal van kerkvader Augustinus (354-430). Tot deze conclusies komt semitist en vergelijkende taalwetenschapper Robert Kerr, die onlangs aan de Universiteit Leiden is gepromoveerd. Lange tijd overheerste de gedachte dat het Punisch (net als het bijbels Hebreeuws een Noordwest-Semitische taal) na de verwoesting van Carthago in 146 v.Chr. in tweehonderd jaar was verdreven door het Latijn van de Romeinse overheersers.

Italiaanse archeologen hadden begin twintigste eeuw in Leptis Magna in Libië inscripties in Latijns schrift, maar met semitische elementen opgegraven. Toch wisten ze zeker dat de taal niet Punisch kon zijn, omdat de inscripties uit de tweede eeuw na Christus stamden. Het zal wel een Berbertaal zijn, luidde de conclusie van de Italianen. Na de Tweede Wereldoorlog bogen Britse deskundigen zich over de teksten en zij noemden de taal Latino-Libisch. Het schrift was immers Latijn; het Libisch was een veilige keuze omdat er haast niets van bekend was.

De laatste jaren ontdekten wetenschappers steeds meer semitische elementen en accepteerden ze dat de taal van de inscripties Punisch was, maar dan wel uit de laatste fase in de tweede eeuw. Alleen de plaatselijke boerenbevolking maakte er nog gebruik van en dus zeker niet de elite, luidde de gangbare opvatting.

Kerr stelt nu dat ook de elite de taal nog lang heeft gebruikt. Hij verwijst daarbij naar de in Leptis Magna geboren keizer Septimius Severus (145-211), van wie werd gezegd dat hij met een Punisch accent sprak. Zijn zus sprak zelfs alleen maar Punisch. En Augustinus, geboren in wat nu Noord-Algerije is, kon volgens Kerr, hoewel hij geen Hebreeuws kende, toch Hebraïsmen in de Oud-Latijnse bijbelvertaling herkennen, omdat het verwante Punisch zijn moedertaal was.

Kerr heeft 69 inscripties met Punische teksten verzameld. De meeste vormen wijteksten op grafstenen – een gebruik dat de lokale bevolking inclusief het schrift van de Romeinen heeft overgenomen. Enkele inscripties memoreren de bouw van een versterkte boerderij. Ze zijn gevonden aan de rand van de woestijn en herinneren aan de tijd dat Puniërs uit het Romeinse leger aan de rand van de woestijn werden gelegerd om aanvallen van Berbers uit de Sahara tegen te houden. De Puniërs stonden er om bekend dat ze een systeem hadden om in droge gebieden water op te vangen en landbouw te bedrijven. De versterkte boerderijen fungeerden volgens Kerr daarom ook als ‘laatste benzinestation’ voor karavanen. Theo Toebosch