Ons indiaantje 1

Een discussie over wat te doen met collecties menselijke resten is zeker zinvol. Het is echter infaam om daarbij in de rapportage over in het Tropenmuseum gevonden materiaal (Zaterdags Bijvoegsel NRC Handelsblad 3 maart) de fysische antropologie te verguizen. De woordvoerder van het museum professor Susan Legêne etaleert hierbij een gebrek aan historische kennis en mist het inzicht in het huidige vakgebied. Dit is niet, zoals zij beweert, failliet verklaard, noch vervangen door de culturele antropologie. Na de oorlog verslechterde de communicatie tussen de beide richtingen en november 1970 werd tot een definitieve splitsing van de disciplines besloten.

Helaas werd in Nederland geleidelijk de ruimte voor fysische antropologie kleiner. Maar de laatste jaren neemt de belangstelling weer sterk toe. Te denken valt aan onderzoek rond het invoeren van lichaamskenmerken voor het paspoort, of de groeiende aandacht voor forensische antropologie.

In tegenstelling tot de culturele antropologie waarvoor uiteenlopende definities gelden, is er wereldwijd maar één omschrijving van onze discipline: het beschrijven en verklaren van verschillen en overeenkomsten tussen mensen. Het vaststellen van lichamelijke variatie - van DNA, celniveau tot lichaamsbouw - gebeurt nog steeds, en is ook gewenst, ja noodzakelijk. Zo kan het vergelijken van groeipatronen van de jeugd vroeger en nu onverwachte indicaties over het welvaartsniveau in andere tijden geven. Het opmeten van het menselijk lichaam wordt geridiculiseerd in het NRC-artikel, maar is belangrijk en niet weg te denken uit de jeugdgezondheidszorg, de sport en de bewegingswetenschappen. Meten is en blijft weten.

Internationaal is een belangrijk onderdeel van de fysische antropologie de studie van de evolutie van de mens, met zowel aandacht voor onze verre voorouders als voor veranderingen op kortere termijn. Botmateriaal is hierbij een onmisbaar onderzoeksobject. Nog steeds levert bestudering van bot- en tandresten informatie over vroegere leeftijdsopbouw, kindersterfte, ziekten en voedselpatronen.

Met fysisch antropologisch onderzoek is niets mis. Tenzij het ontaardt in uitspraken over `inferieur en superieur`. Maar het is abject dat professor Legêne fysische antropologie en rassenleer als synoniemen opvoert. Tientallen jaren reeds beschouwen fysische antropologen de term `ras` als een artificieel concept zonder enige biologische betekenis.

In Nederland was voor de Tweede Wereldoorlog de fysische antropologie het onderzoeksterrein van geïnteresseerde artsen en genetici. Maar in tegenstelling tot het beeld dat professor Legêne schetst, waren uitspraken over zogenaamde superieure rassen hier niet aan de orde. Tijdens de oorlog liet niet één van de fysische antropologen in Nederland zich in met antisemitisme en rasideologieën.

De joodse vrouwen tegen hun zin steriliserende gynaecoloog/SS`er H. van der Hoeven heeft nooit tot onze kring behoord. Dat hij na de oorlog vanuit het strafkamp op Nieuw Guinea blijkbaar materiaal stuurde aan het Tropenmuseum werpt een smet op deze instelling, niet op onze vroegere vakgenoten. Integendeel. Zij distantieerden zich hiervan. Op 26 november 1940 -- de dag van de beroemde Cleveringa-lezing - verwierp de Leidse anatoom J.A.J. Barge in zijn college de arische rasdoctrine wegens het ontbreken van een wetenschappelijke basis. In Amsterdam heeft tot in 1943 anatoom A. de Froe samen met zijn jonge assistent J. Huizinga talrijke joden het leven gered door het produceren van `wetenschappelijk meetbewijs` van hun `ariër` zijn.

Hoe relevant botonderzoek ook nu nog is, laat de medewerking zien van G.J.R. Maat, hoogleraar anatomie en fysische antropologie en organisator van het jaarlijkse Barge Forum, aan de identificatie van botresten uit massagraven in Kosovo.

Gezien de landelijk aanwezige expertise op fysisch antropologisch terrein, is het dan ook zonder meer bevreemdend dat in 2006 de staf van het Tropenmuseum onder geheimhouding een groep internationale experts naar Amsterdam riep voor advies over door hen teruggevonden menselijke resten. In de Verenigde Staten heeft men al sinds 1990 wetgeving omtrent collecties van menselijke resten én museumvoorwerpen van de oorspronkelijke bewoners. Daar vindt er voor teruggave altijd wetenschappelijk onderzoek plaats door deskundige onderzoekers. De man die de botresten uit het Tropenmuseum beschreef in de publicatie `Physical Anthropology reconsidered` is een onbekende in fysisch antropologische kringen.

Professor Legêne onthult aan het slot van het artikel dat zij een slottentoonstelling wil inrichten met als titel: `Goodbye to physical anthropology`. Uit bovenstaande mag blijken dat dit een onzinnig voornemen is.

voorzitter, resp. vice-voorziter Nederlandse Vereniging voor Fysische Antropologie