‘Moskouse kunst nadert de westerse norm’

De hoofdexpositieruimte van de Kunst Biennale is gevestigd in een half voltooide kantoormoloch in Moskva-City. Oliedollars en overmoed komen er samen.

Coen van Zwol

De houten werklift is voor de ene helft gevuld met Moskouse kunstcritici, voor de andere helft met Tadzjiekse betonvlechters. Terwijl de lift langs de 300 meter hoge muur van donkerblauw spiegelglas kraakt, passeren we twee arbeiders die als alpinisten in een tuig klimmen.

Dit is geen performance, maar een gewone werkdag op de Federatietoren, hoofdexpositieruimte van de Tweede Moskouse Biennale voor Hedendaagse kunst. In de eerste editie van dit kunstspektakel keek Moskou terug op het Sovjetverleden – het kadaver van het Leninmuseum was toen de belangrijkste ruimte. Nu zijn dat een paar verdiepingen van een half voltooide kantoormoloch.

De Federatietoren is een dof spiegelende piek in het berglandschap van Europa’s grootste bouwproject Moskva-City, een mierenhoop van zwaar materieel, gastarbeiders, glossy reclameborden en krottendorpen van vuilnis en containers. Dit is het heden en de toekomst: het koortsige Moskou van oliedollars en overmoed. Hoewel hoofdcurator Baksjtein toegeeft dat kunst tussen bouwputten ook gewoon praktisch is. „Waar anders vind je zoveel duizenden vierkante meters en maagdelijk lege muren in Moskou?”

De Russische kunstpers ontving de Tweede Moskouse Biennale deze week zuinig. Ruim honderd kunstenaars uit meer dan dertig landen, acht curators, vier hoofdprojecten en ruim dertig speciale projecten: het is sommigen te veel. „Slappe pap over heel de stad uitgesmeerd”, moppert een criticus. De critici missen ook een groots idee. „Wat moeten we zonder rode lijn, zonder hiërarchie?”, klaagt Novije Izvestija. „Ons rest een geografische keuze: bezoek de expositie die het dichtst bij uw huis ligt. Niets springt eruit.” Een al te hard oordeel, blijkt na een dagje Biennale bezichtigen. Het is fragmentarisch en de kwaliteit wisselt, maar is vaak hoog. Enkele exposities springen eruit. De Federatietoren, met zijn weidse uitzicht als bonus. De overzichtsexpositie ‘Sots-art’, kunst uit de Sovjet-Unie en China die staatssymboliek bespot. Slechts één onderdeel valt echt door de mand: de jonge Amerikaanse videokunstenaars in het chique warenhuis Tsjoem. ‘Studentikoos amateurisme’ en ‘afgekloven formules’, oordelen de Russen. Het probleem ligt bij YouTube, volgens mij. Voor een generatie die aan een wereldwijd video-infuus ligt, schiet ‘traditionele’ videokunst zoals dit gewoon tekort.

Uiteraard is veel op de Tweede Biennale werk in uitvoering, want dit is Rusland. Op de persdag zien we slechts paniekerige kunstenaars die aanwijzingen roepen en vechten om de schaarse stopcontacten, lichtbakken en arbeidskrachten. „Ik kan deze Russische rauwheid verdragen”, mijmert Nedko Solakov. „Meer gevoelige projecten komen in problemen.” Solakov’s ‘A Life’ valt in Moskou in de smaak. Twee huisschilders achtervolgen elkaar een maand lang met rollers door een vierkante ruimte: de één verft de kamer wit, de ander zwart. Een fraaie ode aan de futiliteit van het streven.

De Biennale toont de beperkingen van ‘cultuurstad’ Moskou. Wat ontbreekt, is een centrum, een dominant museum voor moderne kunst. Het nieuwe Tretjakov komt nog het dichtst bij een lokaal Centre Pompidou: een granieten doodskist met een kolossale lichtreclame op het dak. Dat gebrek is logisch in een stad die zijn avant-garde een halve eeuw lang verjoeg, vermoordde of ondergronds dwong; met de val van het communisme in 1991 trad slechts een nieuwe generatie Filistijnen aan. Hoopgevend is wel dat die elite onder Poetin besloot dat een beschaafd Rusland moderne kunst nodig heeft. De staat stak 2 miljoen euro in de Biennale en het bedrijfsleven toonde zich gul.

De vooraanstaande kunsthandelaar Marat Gelman vindt dat de Moskouse kunstwereld nu ‘de westerse norm benadert’. Hoewel het er soms nog ruw aan toegaat. Zo sloegen twee jaar geleden orthodoxe gelovigen de expositie ‘Stop, religie’ kort en klein, waarna een rechter de organisator veroordeelde. Onlangs maakte Gelman kennis met reactionaire kunstkritiek. De douane nam in november zes doeken van het met hem verbonden duo ‘Blauwe Neuzen’ in beslag, waarop Bush, Poetin en Bin Laden in onderbroek stoeiden. Twee dagen later stormde een bende paramilitairen zijn galerie binnen, vernielde alle doeken en sloeg Gelman in elkaar. „Zoiets heeft niets met het Kremlin te maken”, bezweert Gelman. „Het was een op hol geslagen politie-eenheid.” Deze Biennale toont vooral de consolidatie van de hedendaagse kunst. Want één trend berouwt Gelman allerminst: Ruslands nieuwe rijken, die tot voor kort massaal 19de-eeuwse landschapjes kochten, kopen nu even massaal moderne kunst. Rusland heeft nu zijn eigen ‘sterrensysteem’, en sterren worden miljonairs. Oleg Koelik, de sarcastische godfather van de Moskouse kunstscene, speelde vorige week in op die trend door zijn betoverende, mysterieuze expositie Verjoe (Ik Geloof) als exclusief VIP-evenement te afficheren. De zilveren BMW’s en terreinwagens stroomden naar het bouwval VinZavod (de Wijnfabriek), waar de inzittenden slechts harige hippies, zure wijn en droge kaakjes troffen.

Ook Komar en Melamid, die in de jaren ’80 in het westen populair waren met sociaal-realistische grappen, keren terug naar huis. Een Russische verzamelaar kocht hun serie Keus van het Volk voor 1,5 miljoen dollar. De serie is in zijn geheel te zien. Een teken des tijds.