Monte di Éboli

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in Italië, in de provincie Salerno

Christus kwam niet verder dan Éboli – zo heet de roman van Carlo Levi die ik opnieuw verslind en is de reden om te gaan kijken in Éboli. In dat boek, het speelt zich af in de jaren dertig van de vorige eeuw, staat die stad voor de uiterste grens van de beschaving in Italië. Mussolini verbande de dissidenten naar de dorpen in de onherbergzame streek erachter.

Nu sta ik op Éboli’s station. Tussen de rails groeit onkruid.

Op pad, de stad uit. Dat duurt even. Christus houdt het hier nog steeds voor gezien, maar ziekte en gebrek maakten plaats voor de net zo deprimerende primitiviteit van allerhande fabrieken. Ze hebben zich rond de stad in het landschap ingevreten. Zo beneemt een golfplaatstalen complex, met een traliehek en een wolkenkrabbende toren het bejaarde boerenhuis van een grijze signora de adem. „We hadden het tegen kunnen houden”, vertelt ze. „Maar het zou driehonderd arbeidsplaatsen opleveren. Dus wat doe je dan? En ik had zo’n prachtig uitzicht. Die fabriek? Die ligt stil. Is nooit in gebruik genomen.”

In de schaduw van de industrie belanden we, via een buitenwijk die wordt gedeeld door woonkazernes, villa’s met alarmlichten op de poort, vervallen appartementen en een boerennering (eenden in het kippenhok, een verweerde vrouw leunend op haar eg), op een landweg waar stad en industrie onzichtbaar worden.

Meteen zijn er geiten. Hun baas, kalme snor onder flitsogen, laat ze meestal alleen grazen, want ze zijn slim: „Ze weten precies tot waar ze mogen. En om exact half zes zijn ze terug.”

De landweg stijgt. ‘Proprietà privata’ zeggen bordjes, ‘privéterrein’. Drie honden blaffen ons bijna terug, maar hun baas stuurt ons dwars over zijn land naar de volgende veldweg. Ook in de boomgaarden hogerop roepen de mannen die in de bomen takken afzagen, dat we verder kunnen – die bordjes tellen niet.

We stijgen langs velden met kersen- en perenbloesem. En olijfbomen. „Hoe bloeien olijven eigenlijk?”, wil man weten. Ik weet het ook niet.

Beneden in de vallei glanst het plastic van de kasbouw als grote waterplassen. Uit de lentehemel fladdert verwaaide zon.

Zou dat hem zijn, die bult in de hoogvlakte? De top van de Éboli-berg?

Ja. En hij herbergt een geslaagde ruïne, de kop in de wind.

En een gsm-mast.

„Maximaal bereik”, controleert man.

We zakken Éboli weer in. Op de kaart lijkt de route vervaarlijk autorijk, maar het is een stil asfaltlint.

In de berm zijn speelkaarten weggegooid, met de afbeeldingen van bebrilde mannen. Politici? Wetenschappers?

Er is één vrouw bij. De joker.

13 km. Rondwandeling met station Éboli als vertrekpunt. Doordat er steeds gebouwd en gebroken wordt, is de stafkaart onbetrouwbaar.