Fietsen in Kabul

1385

Nooit zal ik het ogenblik van blije verrassing vergeten toen ik in Havanna een Amsterdamse stadsbus zag rijden. Ver terug in de vorige eeuw, op een mooie subtropische ochtend kwam die wat roestig geworden maar nog altijd onmiskenbaar Amsterdamse bus de hoek om. Via een opkoper en een tussenpersoon had de directeur van het openbaar vervoer daar een partijtje oude bussen op de kop getikt. Iedereen in Havanna was tevreden over de aankoop en ik ook.

Het was in de tijd dat uit Europa overjarige medicijnen in betrouwbaar uitziende potjes en flesjes met containers vol naar Afrika werden geëxporteerd. Ook herinner ik me een bericht over een jeneverstoker die zijn product als een geneeskrachtige drank in Zimbabwe verkocht. Maar dat is natuurlijk iets heel anders dan de uitvoer van overjarige maar nog uitstekend bruikbare stadsbussen. Sinds de revolutie van Castro zijn de Cubanen buitengewoon handig in het oplappen van materieel dat in onze stinkend rijke streken is afgedankt. Vandaar dat je in Havanna ook nog altijd glanzende Amerikaanse limousines van een halve eeuw geleden ziet rijden.

Amsterdam is intussen oververzadigd van fietsen. Dat was ook al langer duidelijk. Als de grachten werden uitgebaggerd, kwamen ze boven, de gestolen, de vergeten, de afgedankte, de door passanten in het water gegooide fietsen. Steeds meer mensen kochten auto’s, maar op een of andere manier bleven we hier verknocht aan de fiets. De fietsenrekken langs het trottoir werden langer, bij het Centraal Station is nu een fietsenstalling die volgens mij in het Guinness Book of Records kan worden opgenomen, van veraf lijkt het een hypermoderne sculptuur uit de Ateliers Van Lieshout, en als ik me niet vergis, zie ik ook steeds meer tegen de grond gewaaide of omgegooide fietsen die niet meer worden opgeraapt. De tijd dat een voorbijganger een liggende fiets van een onbekende recht zette, hebben we ook al ver achter ons gelaten.

Zo dreigde hier een nieuw probleem te ontstaan: dat van de liggende fiets. Maar nu, las ik in Het Parool van 7 maart, daagt er een oplossing. Dankzij de heer Nizamudan Ghiasy uit Afghanistan. Hij is de eigenaar van de eerste en tot dusver enige fietsenwinkel in Kabul. Van de gemeente heeft hij vijfduizend fietswrakken gekregen. In containers zijn ze naar Kabul verscheept waar ze door vijf Afghaanse technici weer rijklaar worden gemaakt en dan voor veertig euro verkocht. „Ik heb er nog nooit één kapot zien gaan”, zei Ghiasy. Heel anders dan met de Chinese fietsen waaraan iedere dag wel iets mankeert. Bij het bericht staat een foto van de rijwielhandelaar. Een buitengewoon vriendelijk kijkende man, met op de achtergrond een damesfiets. Iemand van wie je onmiddellijk een tweedehands fiets zou kopen. Ik vind dit het beste nieuws van de week. Stel je voor: je loopt in Kabul en daar zie je opeens iemand op een Nederlandse fiets voorbij rijden.

Ik weet ergens in Amsterdam een mooie fiets te staan, een Raleigh met dérailleur, donkerpaars. Het ding staat er nu dertien maanden, de banden zijn leeggelopen, om de wielen is gras opgeschoten. Telkens als ik er langs loop, denk ik aan de eigenaar. Leeft hij nog? Kan hij nog fietsen? Is hij misschien vergeten dat hij zijn karretje daar heeft neergezet? Langzamerhand is deze fiets voor mij object van bijgeloof geworden. Als hij er niet meer staat, zal de wereld veranderd zijn, hoe dan ook. Maar tegelijkertijd gun ik deze fiets een beter leven. Graag in Kabul. Als de heer Ghiasy dat wil, zal ik hem vertellen waar deze fiets staat. Maar alleen aan hem.

Ten slotte. De Overpeinzingen bemoeien zich alleen bij hoge uitzondering met de politiek van alledag. Dit is zo’n uitzondering, want in Den Haag willen ze niet luisteren.

Er is een conflict ontstaan over de vraag of er een parlementair onderzoek moet komen naar de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog in Irak. Het eerste kabinet-Balkenende heeft die onderneming eerst zijn politieke zegen gegeven. Daarna kwam van Balkenende II de militaire instemming door het sturen van soldaten. ‘Irak’ dat het begin had moeten zijn van de democratisering van het Midden-Oosten, is uitgelopen op een enorme militaire, politieke en humanitaire ramp.

De verantwoordelijken hadden beter kunnen weten. Ze waren gewaarschuwd. Aan de volkenrechtelijke argumenten waarop ze toen hun besluit baseerden, bestaat op z’n minst grote twijfel. Waarom hebben ze toen hun steun gegeven? Dat is vraag één. En dan, uit dit desperaat verzet tegen een onderzoek ontstaat vanzelf vraag twee. Waar komt deze weerstand vandaan? Wat zou er tegen zijn, een commissie van onderzoek alles te vertellen als je niets te verbergen hebt? En de vragen die aan de twee voorgaande ten grondslag liggen: hebben we er geen recht op, alles te weten? Waarom niet?