Europa, het klimaat en verzande ambities

De euforie die gisteren in Brussel ontstond over een klimaatplan van de politieke leiders van de Europese Unie behoeft enige tempering. Woorden en zinsneden als ‘historisch resultaat’ en ‘het meest ambitieuze energieplan ter wereld’ vragen erom van een context te worden voorzien. Die luidt simpelweg dat Europa goed is in het formuleren van doelen en ambities – hetgeen prijzenswaardig is – en een slechte reputatie heeft met het nakomen ervan.

Zeven jaar geleden, toen niet het milieu maar de economie de Europese agenda bepaalde, werd op een soortgelijke ontmoeting van EU-leiders in Lissabon de ambitie geformuleerd om de Europese Unie binnen tien jaar de meest concurrerende en dynamische economie ter wereld te maken. Wat de oorzaken ook waren, dit streven verzandde door een weerbarstige werkelijkheid. Het gejuich van toppolitici destijds over hun eigen plannenmakerij was oorverdovend, net als nu het geval is met de klimaat- en energievoorstellen. Maar iedereen weet dat papier geduldig is, zeker in de corridors van Europa.

Het moeilijkste deel van de afspraken die gisteren werden gemaakt, moet nog komen. Hoe moeten de overeengekomen percentages worden bereikt en welke landen zullen daarvoor het meeste moeten inleveren? Daarover zal langdurig en gedetailleerd worden gebikkeld. Het klimaat, intussen, wacht niet – evenmin als de economie waarover in 2000 afspraken werden gemaakt. Terwijl Europa in de jaren nadien er niet in slaagde haar plannen waar te maken, stoomden China, India en Amerika op volle economische kracht voorbij.

Cynisme en de mogelijkheid van een veranderend klimaat verdragen elkaar slecht. Al bij al is het goed dat er tenminste afspraken op papier staan. Het valt toe te juichen dat de Europese Unie tot 2020 20 procent energie wil besparen en eveneens 20 procent minder uitstoot – ten opzichte van 1990 – nastreeft van het broeikasgas CO2. Zon, water, wind en aardwarmte zullen worden ingeschakeld zodat de EU als geheel uiteindelijk eenvijfde van haar energiebehoefte uit duurzame energie haalt. Biobrandstoffen moeten in auto’s en vrachtwagens deels benzine en diesel gaan vervangen. Verder hoopt de Unie door schone kolencentrales met ondergrondse opslag van CO2 en spaarlampengebruik de veronderstelde klimaatverandering te lijf te kunnen gaan.

Een belangrijk geschilpunt blijft kernenergie. De Franse president Chirac, bij dit soort gelegenheden vaak opererend in een parallel universum, weerstond de heersende opvatting en slaagde erin zijn collega’s te laten erkennen dat de vele kerncentrales die zijn land rijk is, weinig of geen CO2 uitstoten. Dat is meegenomen. In landen als Duitsland en Nederland rust ten onrechte een politiek taboe op kernenergie. Intussen wordt hier wel volop geprofiteerd van geëxporteerde Franse atoomstroom. Het wordt tijd de kern-optie aan een nauwgezet en objectief (veiligheids)onderzoek te onderwerpen – en dit is precies wat de EU-leiders zich hebben voorgenomen. Dat is winst.

De aangekondigde maatregelen kunnen de lucht schoner maken en het ozongat kleiner, en als neveneffect kan de Europese economie door innovatie fors worden gestimuleerd. Laat deze nieuwe ambitie nu eens werkelijkheid worden en niet verzanden in de grote en kleine belangen van de afzonderlijke lidstaten.