De vraagtekens van een biologische moeder

Wanneer je ongewenst zwanger raakt, gaat het ook om de vraag: met welke schuld, met welke schaamte, kun je het beste leven?

Merapi Obermayer

Beeldend kunstenaar en schrijfster

Ik ben een biologische moeder. Verstandelijk kan ik niet anders dan het eens zijn met Brigitte Slot, die stelde dat er veel argumenten zijn tegen adoptie en dat het betuttelend is om adoptie te bevorderen als alternatief voor abortus (Opiniepagina, 6 maart). Maar ik heb daar ook mijn vraagtekens bij. Wanneer je ongewenst zwanger raakt en voor die keus staat, gaat het ook om de vraag: met welke schuld, met welke schaamte, kun je het beste leven?

Ik heb deze vraag zelf moeten bedenken en het antwoord zelf vormgegeven. Geen hulpverlener zal daaraan denken, omdat iedereen overtuigd is van zijn eigen gelijk.

Toen mijn dochter mij terugvond: mijn vreugde, mijn opluchting dat het voorbij was. Dat ik niet meer stiekem in telefoonboeken hoefde te zoeken, omdat ik toevallig de naam van de adoptieouders wist door een fout van het adoptiebureau.

De pijn van het verstandig zijn. Niet toe te geven aan je verlangen. Weten dat je door moet leven, omdat je er moet zijn als je dochter je vindt. Niets is erger voor een kind dat naar de moeder zoekt om van anderen te moeten horen dat ze zelfmoord heeft gepleegd uit verdriet om de onmacht haar zelf groot te brengen.

Behalve vreugde sloeg ook verdriet toe, dubbel zo hard, en mijn schuldgevoelens, schaamte. Nooit zal ik tegen een vrouw zeggen dat het beter is geen abortus te plegen. Gewoon uit solidariteit en om haar die altijddurende pijn te besparen. Ook na het hernieuwde contact. En toch, de wetenschap dat mijn dochter nooit geleefd zou hebben als ik in de gelegenheid was geweest abortus te plegen. Dat er een mooi mens minder op aarde rondgelopen zou hebben, doet mij eerlijkheidshalve aarzelen.

De vechter in mij zegt: als zij in staat is om te leven met die leegte, het verdriet van het niet weten wie en waar haar vader is, het niet hebben van een echte familie (mijn deels joodse familie is grotendeels omgekomen in de oorlog) dan moet ik ook maar zo sterk zijn om te leven met mijn verdriet, mijn leegte en die niet opvullen door een ondraaglijk claim te leggen op haar nu we elkaar toch hebben leren kennen.

We hebben contact. Na jarenlange gevechten begint het eindelijk wat te worden.

De geschiedenis van mijn familie past naadloos bij de hare. Haar lot is verbonden met dat van hen. Ik heb er ooit een autobiografische roman over geschreven: Insulindes dochter, opgedragen aan mijn dochter. Daarin beschrijf ik ook haar geboorte, het hoe en waarom, en de achtergrond van mijn ouders. Ook ben ik bezig met een klein archief. Ze krijgt de schilderijen van mijn vader, zoals elk kind die krijgt van haar familie.

Patrizia Fila heeft van dat boek een toneelstuk gemaakt, Het eiland. Mijn dochter gaat dat straks zien in de Arnhemse stadsschouwburg. Om haar gevoelens te sparen zal ik er niet bij zijn.

Grote vraag is: heb ik de moed om haar te vragen wat ze ervan vond? En zal zij de moed hebben om mij niet te willen antwoorden? En zo zijn er veel vragen en onzekerheden waar ik mij bij neer moet leggen. Ik ben nu bijna zestig, en besef dat mijn dochter niet hoort tot mijn oudedagsvoorziening. Het stemt me niet bitter.