‘Bij Joop den Uyl heb ik als peuter nog op schoot gezeten’

‘Onlangs was ik als kandidaat-senator uitgenodigd voor een politiek debat in het gebouw van de Eerste Kamer, waar vroeger de Tweede Kamer zat. Vooraf ben ik meegegaan met een rondleiding. En daar liep ik dan, door de wandelgangen, waar die man van wie ik zoveel gehouden heb, zijn halve leven heeft doorgebracht.

Van die kippenvelmomenten had ik ook toen ik kandidaat voor het Europees Parlement was. Mijn pleegvader, Henri Faas, was parlementair journalist en later voorlichter bij de Europese Commissie. Als kleuter had ik mogen meehelpen het promotiekantoortje bij de Amsterdamse Nieuwe Kerk in te richten, een soort winkeltje met vlaggetjes en andere parafernalia, dat meer bekendheid moest geven aan ‘Europa’. Daar moest ik vaak aan denken als ik tijdens de campagne mijn pro-Europa-verhaal hield.

Het is maar een kortstondig verschijnsel geweest: kinderen van gastarbeiders die opgevangen werden in een pleeggezin als hun ouders moesten werken. Maar rond mijn geboortejaar, 1972, kwam het vrij veel voor. Mijn biologische vader en moeder, afkomstig uit een boerenstreek in Oost-Turkije, werkten in ploegendienst. Mijn oudere zus kon zichzelf wel redden, maar voor mij en mijn broer was opvang nodig. Ik kwam terecht bij de familie Faas. Vanaf mijn babytijd tot mijn zevende woonde ik door de week bij hen, en in het weekend bij mijn ouders. Na die tijd was het andersom, bracht ik de weekenden en de feestdagen door bij de Faasjes. Ik leefde letterlijk in twee culturen.

Het schijnt dat er door pleegouders wel eens misbruik werd gemaakt van de onkostenregeling, dat ze geld opstreken en vervolgens niet naar de kinderen omkeken. Het omgekeerde gebeurde bij mijn broer, Erdal. Hij is doof, autistisch en verstandelijk gehandicapt. De mensen die hem opvingen, docenten van de dovenschool waar hij destijds op zat, raakten zo aan hem gehecht dat ze hem niet meer wilden afstaan. Ze hadden de rechter ervan overtuigd dat hij beter af was bij hen, omdat zij hem door hun pedagogische achtergrond op de juiste manier konden stimuleren in zijn ontwikkeling.

Mijn moeder heeft Erdal toen ontvoerd en is met hem naar Turkije gevlucht. Pas een paar jaar later, nadat het vonnis vernietigd was, is ze teruggekomen. Het viel voor mij als moederskindje niet mee om haar zo lang te moeten missen. Erdal was nota bene voor mijn ouders de reden geweest om naar Nederland te gaan. Er waren al twee zoontjes overleden aan kinderziektes, en ze waren zo bang om hem ook te verliezen, dat ze besloten naar Nederland te verhuizen, vooral vanwege de goede gezondheidszorg.

Mensen als mijn moeder zijn, zoals ze in Turkije zeggen, ‘van oude grond gemaakt’. Die werkdiscipline, dat optimisme, ondanks alles wat ze heeft meegemaakt. De nieuwe generatie, wij dus, heeft minder karakter dan zij in de nagel van haar linkerpink.

De Bakenessergracht in Haarlem is nu een chique en gewilde locatie, wij woonden er met een hele kolonie gastarbeiders van Joh. Enschedé, die toen nog zijn drukkerij had in het centrum van Haarlem. Met velen in één huis natuurlijk. Pure armoede. Al het geld dat verdiend werd ging naar Turkije. Onze vaders deden het vieze en zware werk, ze raakten later ook allemaal doof of anderszins invalide. Maar het saamhorigheidsgevoel was groot. Je zat met zijn allen in een vreemd land, het leven was zwaar maar je maakte het toch gezellig samen, en je steunde elkaar. Als in Turkije een familielid van iemand op sterven lag, werd er geld ingezameld zodat diegene een vliegticket kon kopen.

Mijn andere wereld was die van een grote villa in Aerdenhout, waar een paard gehouden werd, en waar politici en journalisten kind aan huis waren. Marcel van Dam was een soort oom, bij Joop den Uyl heb ik als peuter nog op schoot gezeten, schijnt het. Martin van Amerongen van de Groene Amsterdammer was een goede vriend. Met de hoofdredacteur van de Telegraaf, Hans de Haas, vierden we vakantie in Toscane.

Maar ondanks de ogenschijnlijk grote verschillen tussen de twee gezinnen waar ik ben opgegroeid, heb ik nooit wezenlijke tegenstellingen ervaren. Mijn biologische moeder zei dat ik tijdens het eten zo nu en dan een slok moest nemen om de boel weg te spoelen, van mijn pleegmoeder moest ik eerst mijn mond leegeten. Op dat niveau lag het, op het niveau van de etiquette. De overeenkomsten waren veel opvallender, omdat het daarbij ging om universele dingen, om liefde, menselijkheid, de échte normen en waarden. Die waren in beide gezinnen evenveel aanwezig. Cultuur, religie, sociaal-economische status, ze vormen een omhulsel waaronder mensen maar heel weinig verschillen, dat heb ik aan den lijve ondervonden. We houden allemaal van onze moeder, we zijn allemaal gek van onze kinderen. Dat besef heeft ervoor gezorgd dat ik me eenvoudig beweeg in verschillende leefmilieus. Ik heb als manager in de bankwereld gewerkt, maar praat net zo makkelijk met bouwvakkers.

Progressieve Nederlanders klagen over de teloorgang van de tolerantie jegens allochtonen, maar ik ben het niet met ze eens. Goed, er is wat wantrouwen hier en daar, maar de Nederlanders zijn nog altijd een geweldig tolerant volk. Kijk alleen maar naar alle moskeeën die hier gebouwd worden. Veel allochtonen houden er wat dat betreft een dubbele moraal op na. Zoals mijn vader, die naar buiten toe roept dat hij gediscrimineerd wordt, maar thuis zegt: ‘Wat zijn die Nederlanders toch fantastische mensen. Wat zij allemaal toelaten!’

Ik ben dus altijd heilig blijven geloven in de tolerantie van de Nederlanders. Tolerantie zit in onze aderen. Het heeft te maken, denk ik, met de manier waarop we de holocaust verwerkt hebben. Het bewustzijn dat het indelen van mensen op grond van ras, van uiterlijk, van voorkeuren het domste is wat er bestaat, zit heel diep. Tegelijk ben ik er ook van overtuigd dat de interculturele problemen van nu minder groot zijn dan vaak wordt gedacht. Vrouwenonderdrukking, de maagdelijkheidscultus, homohaat, ze bestaan, heus. Als jong broekie van achttien hield ik al lezingen over dit soort taboes in de moslimwereld. Het waren de hoogtijdagen van het politiek-correcte denken, en binnen GroenLinks werd ik gezien als een Ayaan Hirsi Ali avant la lettre.

Maar inmiddels zie ik gewoon om me heen dat de homofobie onder allochtonen langzaam aan het verdwijnen is. Simpelweg omdat jongeren met een moslimachtergrond homo’s ontmoeten op hun werk, succesvolle en sympathieke homo’s op televisie zien, homoseksuele vrienden krijgen. En dan heb ik het beslist niet alleen over hoog opgeleide jongeren. Hetzelfde geldt voor de positie van vrouwen. Ook op dat gebied is een stille revolutie gaande, waarbij je ziet dat de nieuwe generatie veel progressiever, veel Nederlandser denkt dan de ouders.

De liefde die ik van de familie Faas heb gekregen, was diep en oprecht. We hebben nog dagelijks contact. Zonder hen was ik niet degene geworden die ik nu ben: een kaaskop. Veel allochtone vrienden van me hebben een romantisch verlangen naar het land van herkomst, sommigen overwegen serieus om daar te gaan wonen. Al kan ik hevig ontroerd raken door Turkse muziek, heimwee naar Turkije ken ik niet.

Chauvinistisch ben ik alleen als het om Haarlem gaat. Ik heb onlangs, puur om sentimentele redenen, een huis gekocht aan de gracht waar ik ben opgegroeid. En toch, al ben ik onder Turken een vreemde eend in de bijt, het is moeilijk te zeggen of ik zonder de invloed van de Faasjes een totaal ander persoon zou zijn geweest. Het progressieve, vrijheidslievende heb ik evenzeer van mijn biologische ouders als van mijn pleegfamilie. Mijn vader en moeder zijn moslims, maar van het ruimdenkende soort. Ze zijn alevieten, een liberale stroming in de islam die de nadruk legt op liefde en verdraagzaamheid. Een heel artistieke stroming ook, de meeste kunstenaars en muzikanten in Turkije zijn alevieten. Mijn ouders accepteren zelfs dat ik niet meer gelovig ben. Als ik wel eens aan mijn moeder vroeg: ‘Hé zeg eens, waar is die God van jou?’ dan lachte ze, en zei, quasi-boos: ‘Ga je mond spoelen met zeep’.

Eén ding waarvan ik wél zeker weet dat het de invloed is geweest van de Faas-familie, is mijn gebrek aan autoriteitsvrees. Je werd daar als jong kind door volwassenen volledig serieus genomen, je werd gestimuleerd om je te uiten en er werd echt naar je geluisterd. Toch is mijn politieke belangstelling via een omweg tot stand gekomen. Ik heb niet bewust voor de politiek gekozen. Met mijn buitenparlementaire activiteiten, onder meer als voorzitter van het regionale Platform tegen Racisme en Fascisme, trok ik de aandacht van de lokale partijen. In de bibliotheek heb ik toen alle partijprogramma’s vergeleken en geconcludeerd dat GroenLinks het beste mij me paste. Me op dat moment niet eens realiserend dat Papa Faas – die toen al een paar jaar dood was – mede-oprichter was van de PPR en dus een van de aartsvaders van GroenLinks.

Op mijn 21ste werd ik lid van de provinciale staten van Noord-Holland. Ik was het jongste statenlid ooit en de allereerste allochtoon. Later ben ik nog kandidaat geweest voor de Tweede Kamer en het Europarlement, maar steeds kwam ik op een netniet verkiesbare plaats. Daar was ik niet gefrustreerd over, nee, GroenLinks is nu eenmaal een kleine partij met altijd veel goede, gekwalificeerde mensen die graag willen. Dan is het al een eer als je gevraagd wordt om je kandidaat te stellen. Wat wel een rol speelt, misschien, is dat ik mezelf niet als allochtoon profileer. Ik ben niet zo aaibaar. Op de lijst voor de Eerste Kamer sta ik op de zevende plaats, dus de kans dat ik senator word, is klein. Ik denk dat ik maar op mijn visitekaartje laat zetten: ‘Dogan Gök, kandidaat’.”

Opgetekend door Brigit Kooijman