Berbers strijden voor erkenning van hun taal

In 2001 beloofde de Marokkaanse koning Mohammed VI de Berbertaal in te voeren in het onderwijs. Daar is nog weinig van te merken.

Sifaou, dat leek Mohammed Bouhouch wel een mooie Berbernaam voor zijn pasgeboren zoon. „Een oude naam in onze taal”, zegt Bouhouch met gepaste trots. Je zou het kunnen vertalen als ‘Helder’ en bovendien is het een bekende naam onder strijders voor de rechten van de Berbers. Maar aan het loket van de Marokkaanse burgerlijke stand in Casablanca kreeg Bouhouch nul op het rekest. Toen hij zijn zoon kwam aangeven weigerde de dienstdoende ambtenaar om Sifaou als naam te erkennen. „Zo’n man zit daar met een lijst aan namen waar je verplicht uit moet kiezen. En Sifaou stond daar niet op”, aldus Bouhouch.

Hij liet het er niet bij zitten. Want Mohammed Bouhouch behoort tot de groeiende groep Marokkanen die hun identiteit als Berber, of zoals zij zelf zeggen Amazigh – de vrije mensen – niet zomaar te grabbel gooien. En dus werd de publiciteit gezocht. Als zij weigerden om zijn zoon als Sifaou in te schrijven, zo vertelde Bouhouch de pers, dan zou hij politiek asiel aanvragen. In Israël.

Zoiets werkt in een moslimland. Schoorvoetend werd Sifaou Bouhouch alsnog in de burgerlijke stand ingeschreven. „Hopelijk zal het nu eenvoudiger worden met Berbernamen”, lacht Bouhouch. „Inshallah, als God het wil.”

De strijders voor de Amazigh-cultuur in Marokko zijn teleurgesteld. Onder koning Mohammed VI leek het tij voor de Berbers te keren. Na decennia van systematische onderdrukking werd in 2001 het Koninklijk Instituut voor de Amazigh-Cultuur (Ircam) opgericht. De Berbertaal zou voortaan onderwezen worden, festivals met Berbermuziek bloeiden op in heel Marokko en er werden radio- en televisie-uitzendingen in de Berbertaal verzorgd. Maar in de praktijk van alledag heersen onwil en desinteresse in de volwaardige erkenning van wat door sommigen wordt beschouwd als de kern van de Marokkaanse cultuur.

Het Ircam is juist verhuisd naar een splinternieuw hoofdkantoor in een nieuwe ministeriële wijk aan de rand van de hoofdstad. „We dachten dat we een grote overwinning hadden behaald toen vier jaar geleden de Amazigh-talen en het tifinagh, ons speciale schrift, verplichte lesstof op de lagere scholen werden”, zegt Meryam Demnati. Als medewerker van het Ircam stelt ze de schoolboeken en lespakketten samen. „Maar het is een totale chaos.”

Op de tafel in haar werkkamer ligt het leerboek voor de vierde klas. Vrijwel nergens in Marokko is het verkrijgbaar, laat staan dat het wordt onderwezen. Zelfs de cursus voor het eerste jaar staat bij veel scholen nog steeds niet op het lesprogramma. Het ministerie van onderwijs zet de lesboeken niet op de verplichte lijsten. „Dat zijn ze vergeten”, hoont Demnati. Het gevolg is dat de boekhandels de boeken niet inkopen. Sommige schooldirecteuren of onderwijsinspecteurs weigeren simpelweg de Berbertaal in het lesprogramma op te nemen. Na het eerste jaar zijn er trouwens geen leraren meer die zelf de stof voldoende beheersen om verder les te geven: het schort aan middelen om de docenten op te leiden. Een apart budget voor het Berberonderwijs ontbreekt op de ministeriële begroting.

Hoewel volgens sommige schattingen een meerderheid van de Marokkaanse bevolking thuis een van de drie Berberdialecten spreekt, lijkt het onderwijs daarmee vooral in goede bedoelingen te blijven steken.

Wat het onderwijs er niet eenvoudiger op maakt is dat gekozen werd voor het tifinagh, het oorspronkelijke Berberschrift dat enigszins lijkt op de Griekse lettertekens. Naast het Latijnse en Arabische schrijft werd er zo een derde alfabet in het overbelaste onderwijssysteem geïntroduceerd. „Natuurlijk is dat moeilijk”, zegt Said Bajji. Hij verzorgt een pagina in het tifinagh in de Berberkrant Le Monde Amazigh. De overige pagina’s zijn in het Frans en Arabisch. „Maar de kern van het probleem is ideologisch: het onderwijs wordt gearabiseerd”, zegt Bajji.

Ondanks de koninklijke steun voor de cultuur kan de politieke Berberbeweging in Marokko nog steeds op weerstand rekenen. Of de in 2005 opgerichte Democratische Berberpartij van Marokko (PADM) met de verkiezingen later dit jaar kan meedoen is nog sterk de vraag, meent secretaris-generaal Ahmed Adghirni. „De autoriteiten hebben veel obstakels in de weg gelegd”, zegt Adghirni. Begin februari werden de circa 2.000 verzamelde partijleden door de politie tegengehouden toen ze in Marrakech een afgehuurde zaal in wilden voor een bijeenkomst. „We hebben de partijstatuten toen maar op straat in stemming gebracht”, aldus Adghirni.

Maar er is volgens hem ook hoop: het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft inmiddels de statuten en het partijprogramma in ontvangst genomen. „We hebben dus voor het eerst een papier met een stempel gekregen, een begin van erkenning”, lacht hij.

Een van de grotere angsten van de vroegere koning Hassan was een politieke Berberbeweging. Die zou, zo vreesde hij, de eenheid van het land in gevaar kunnen brengen. Met de sterke opkomst van de fundamentalistische moslimpartij PJD – gedoodverfde winnaar van de komende verkiezingen – dient zich een nieuwe vijand aan. In de talrijke, vooral Europese websites wordt duidelijk dat de Amazighbeweging weinig moet hebben van de fundamentalisten met hun gehamer op het Arabisch en de continue aanvallen op de ‘verderfelijke’ Berbercultuur met dansfestivals en andere buitensporigheden. Adghirni: „Onze opvattingen staan lijnrecht tegenover het fundamentalisme. We zijn voor een moderne islam. Het groeiende fundamentalisme betekent een reëel gevaar voor de Amazigh-beweging.”