Zien wat anderen niet zien

Kunsthandelaar Salomon Lilian probeert een jong publiek te interesseren voor de Hollandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw. In de Verenigde Staten lukt dat beter dan hier. „De Amerikanen zijn agressieve kopers.”

Boven de glazen winkelpui aan de Amsterdamse Spiegelgracht staat: Salomon Lilian. En op de voordeur: ‘By appointment only’. Dit is geen antiekzaak zoals er van oudsher zoveel in deze buurt zijn. Dit is een ‘gesloten huis’. Salomon Lilian (44) handelt in zeventiende-eeuwse Hollandse en Vlaamse schilderkunst. Wie door de etalageruit tuurt en nieuwsgierig is naar de schilderijen die hij ziet hangen, kan niet zomaar binnenlopen. De deur zit op slot.

Lilian: „Ik ontvang mijn klanten alleen op afspraak. Mensen lopen niet even een winkel in om een bloemstilleven van achthonderdduizend euro te kopen. En ik ben constant op reis, op zoek naar schilderijen in Duitsland, Frankrijk, Italië en Amerika, dus ben ik maar een deel van de tijd hier in Amsterdam.”

Meestal verkoopt hij zijn schilderijen niet in zijn winkel, maar op de beurzen, de Pan in Amsterdam, of de TEFAF in Maastricht. De schilderijen die nu – half februari – in zijn zaak hangen, zullen bijna allemaal naar de TEFAF verhuizen. En vandaar naar klanten elders in Europa en vooral in de Verenigde Staten.

In Nederland is er maar een klein publiek voor de schilderkunst uit onze Gouden Eeuw. Lilian doet zijn best om jonge mensen voor deze kunst te interesseren, maar dat blijkt juist in Nederland erg moeilijk: „Ik heb vrienden die goed bij kas zijn, maar die zijn vooral geïnteresseerd in moderne of hedendaagse kunst. Aan de prijzen voor de zeventiende eeuw kan het niet liggen, die vind ik nog laag vergeleken bij die voor de impressionistische of moderne schilderkunst. En er zit genoeg geld in Nederland, lees de Quote.” Hij schat het aantal Nederlandse verzamelaars van ‘goede zeventiende-eeuwse schilderijen’ op ‘een stuk of tien’. Maar zij vergrijzen, en er komen nauwelijks jonge collectioneurs bij.

In de Verenigde Staten is dat anders: „Ik heb daar klanten van mijn leeftijd die alleen oude Nederlandse kunst verzamelen en alles kopen wat goed is. Beursjongens van Wall Street, hedge funds-handelaars. En ik heb er een grote klant die in de olie zit en in de goud- en zilvermijnen. Ook in Amerika verzamelen de meeste beursjongens ‘contemporary art’, maar sommigen willen meer de intellectuele kant uit: zij houden van kunst waar wat over te vertellen is. Ze vinden de Hollandse schilderkunst mooier dan de Italiaanse omdat de Hollandse minder religieus is. En er zitten vaak verborgen betekenissen in die schilderijen, er hoort een verhaal bij, daar zijn ze dol op.”

Behoedzaam haalt hij twee

schilderijtjes van David Vinckboons (1576-1632) van de muur. Het tweeluik, getiteld Boerenverdriet en Boerenvreugd dateert uit 1610. „Kijk, op het ene zie je hoe Vlaamse boeren worden onderdrukt door Spaanse soldaten die bezig zijn met de vrouwtjes en de boeren hun huis uitgooien. Op het andere komen de boeren in opstand en slaan met knuppels op de soldaten in. Het Rijksmuseum heeft twee schilderijtjes van Vinckboons met bijna dezelfde voorstelling. Deze twee zijn ook van museale kwaliteit.” Het tweeluikje zal ‘vrijwel zeker’ naar Amerika gaan. Lilian vindt dat niet erg. De globalisering geldt nu eenmaal ook voor de kunsthandel.

De kunsthandelaar Peter Albricht, die onder meer gespecialiseerd is in de Hollandse romantiek, zei enkele jaren geleden in een interview: „Een handelaar die een schilderij binnen Europa verkoopt, moet negentien procent btw afdragen over de winstmarge. Het is dus voordeliger om het aan een Amerikaan te verkopen.” Volgens hem was in 2002 in de EU voor 300 miljoen euro aan kunst meer uitgevoerd dan ingevoerd en wordt „Nederlands culturele erfgoed verkwanseld aan rijke Amerikanen.” Lilian haalt zijn schouders op en zegt: „Zo denk ik niet. Als ik een belangrijk schilderij heb, bied ik het eerst aan Nederlandse musea aan, maar als die niet snel toehappen, hang ik het op de beurs en dan gaat het meestal naar Amerika. De Nederlandse musea zijn goed voorzien van kunst uit de Gouden Eeuw en als er een exceptioneel schilderij op de markt komt doen ze altijd hun best om het te verwerven. Zoals het Rijksmuseum nu probeert Rembrandts portret van Catrina Hoogsaet uit Engeland te kopen, dat vind ik een goed streven.”

Of het nu gaat om het Interieur van de Oude Kerk te Amsterdam, geschilderd door Emanuel de Witte of om een landschap van Jacob van Ruisdael waarop een omgevallen boom de vergankelijkheid van het leven symboliseert, bij de TEFAF zullen op deze werken vooral buitenlanders afkomen. Lilian: „Het Mauritshuis kocht onlangs het Gezicht op kasteel Bentheim van Jacob van Ruisdael. Dat stond in alle kranten en dan hoop je dat Nederlandse verzamelaars daardoor worden aangestoken. Door rondleidingen in het Rijksmuseum en het Mauritshuis probeer ik bij potentiële klanten in Nederland belangstelling op te wekken. Maar ja, de Amerikanen zijn agressieve kopers. Als iets goeds is zijn ze er snel bij. Mijn collega Johnny van Haeften in Londen, die eveneens gespecialiseerd is in de Hollandse zeventiende eeuw, verkoopt ook het meeste naar de Verenigde Staten.”

Salomon Lilian doet dit jaar

voor de zeventiende keer mee aan de TEFAF. Hij was al jong vertrouwd met kunst- en antiekbeurzen. Zijn betovergrootvader Bernardictus Stodel was de eerste antiquair uit de familie. Twee kleinzonen van Bernardictus, de broers Salomon en Bernard Stodel, openden in 1936 een antiekzaak aan het Amsterdamse Rokin die later werd voortgezet door Salomons zoon Jacob Stodel, de oom van Lilian. Deze antiekzaak bestaat nog altijd. Lilians moeder, Selly Stodel, de zuster van Jacob, is er bijna dagelijks. Lilian: „Ze is 73, maar ze zou niet zonder de zaak kunnen, die houdt haar staande.” Net als andere jaren is Salomon Stodel Antiquités ook nu weer aanwezig op de TEFAF.

Lilian: „Als kind was ik diep onder de indruk van de beurs in Delft. Daar stond mijn oom Jacob en mijn moeder assisteerde hem.” Hoewel hij na zijn eerste bezoeken aan het Rijksmuseum, als kind van een jaar of twaalf, steeds meer gefascineerd raakte door Nederlandse zeventiende-eeuwse schilderkunst, ging hij na de middelbare school eerst een ander richting op. Zijn vader, die geboren was in Indonesië, kwam na de oorlog naar Nederland en begon een opticienzaak aan de Overtoom in Amsterdam. Hij stierf toen Salomon Lilian achttien was. „Ik heb toen snel alle opticiendiploma’s gehaald om de zaak te kunnen voortzetten. Maar ik zag me niet mijn hele leven glaasjes slijpen, dus ben ik daarnaast in Leiden kunstgeschiedenis gaan studeren. Ik had al in mijn achterhoofd om kunsthandelaar te worden. Na mijn studie heb ik de opticienzaak verkocht, ik vroeg een beginnerskrediet aan en dacht: ‘Aha, we gaan beginnen’. Dat was in 1989, ik was 27 jaar.”

Hij kocht zijn eerste schilderijtjes in, een ‘mooi wintertje’ van Gerrit Battem (1635-1684) en een zeegezicht van Pieter Mulier (ca. 1600-1670). „Ik bracht ze naar een restaurateur en die zei: ‘Bij de Van Battem is de lucht nieuw, er zit dekverf op, geen transparante verf, en de Mulier is afgesneden, het is een fragment.’ Zo’n klap in het begin, daar leer je enorm van.”

Hij vertelt hoe hij als nieuweling in de kunsthandel ‘erg gepiepeld’ werd: „Niemand wilde mij erbij hebben. Een collega in New York waarschuwde me dat de kunsthandel een gesloten wereldje is en dat ik er nooit tussen zou komen. Niemand zat te wachten op nieuwe concurrenten. Maar het stimuleerde me alleen maar. Ik dacht: ‘Het lukt me wel.’ Ik wilde het echt.”

Op de Pan in Amsterdam

kreeg hij in 1989 in de stand van zijn oom Jacob een ‘buitenwandje’, waar hij schilderijen ophing die hij in consignatie had van handelaren in Londen bij wie zijn oom hem had geïntroduceerd. Op die beurs ontmoette hij de Maastrichtse kunsthandelaar Robert Noortman, die in januari op 60-jarige leeftijd is overleden. Noortman was toen al een van de grootste handelaren ter wereld in de zeventiende-eeuwse kunst.

„Noortman zei: ‘Hé, nieuw bloed, dat hebben we nodig. Ik wil je wel helpen het vak te leren.’ Kennelijk zag hij iets in me. Hij leerde me het omgaan met klanten. Hij was een echte dealmaker. Als een klant een schilderij niet mooi vond, wist hij hem zo te overtuigen van de kwaliteit dat die klant het kocht en er blij mee was. En hij leerde me goed te kijken naar schilderijen, maar dat heb ik mezelf ook moeten leren.

„De ontmoeting met Noortman heeft veel voor mij betekend. We hebben vaak samen schilderijen ingekocht. De eerste keer op een veiling van Christie’s in 1989: een wintergezicht van Adriaen van Salm. Ik zei: ‘Dat vind ik mooi’. Hij zei: ‘Ja, goed, koop maar, ga tot 200.000’. We kochten het voor 180.000. In 1991 kon ik voor de eerste keer meedoen aan de TEFAF, ik had een piepklein standje. Daar hing ik het schilderij op. Er kwam een Engelse handelaar langs en die kocht het meteen voor vier ton. Noortman en ik hadden dus allebei een ton gewonnen. Zo is het begonnen te lopen. Ik heb al die jaren met hem samengewerkt. Omdat ik wat onafhankelijker wilde zijn, heb ik de laatste jaren meer alleen ingekocht, vooral bij particulieren. Noortman speelde daar dan weer op in, zodat we toch, op een andere manier, bleven samenwerken.

„Ja, ik mis hem erg. De hele kunsthandel zal anders worden zonder hem. Hij had een enorme aantrekkingskracht op klanten, de mensen gingen speciaal voor Noortman naar de TEFAF, de sfeer die hij creëerde, de feesten die hij ’s avonds gaf.”

„Maar ik kom wel aan mijn schilderijen hoor. Vijf jaar geleden heb ik mijn vrouw leren kennen, zij is een Française en we wonen een groot deel van de tijd in Parijs. Ik koop nu veel in Frankrijk in. Daar hebben ze geen idee van de Hollandse schilderkunst. Er zijn veel kleine veilingen, je kan maar een paar uur kijken en dan moet je al bieden. Twee jaar geleden had ik geluk, er was een doekje: ‘toegeschreven aan Salomon van Ruysdael’. Ik dacht: ‘die lucht lijkt wel een echte Van Ruysdael’. Een collega van me geloofde er niet in, maar ik nam de gok en kocht het voor 5000 euro. Een restaurateur testte de signatuur: bij het schoonmaken werd die sterker en sterker. Een mannetje op de voorgrond bleek niet goed, dat verdween bij het schoonmaken. Uiteindelijk bleek het een prachtig landschapje van Salomon van Ruysdael. Vorig jaar heb ik het voor 200.000 verkocht aan een Amerikaan, dat was het waard.”

„Nee”, zegt Lilian, „ik ben

geen keiharde zakenman. Ik ben beter in inkopen dan in verkopen, dat is altijd zo geweest. Ik ben een speurhond, maar ik koop alleen in wat ik zelf mooi vind.” Hij wijst op een mannenportretje van Pieter Verelst: „Dat was een leerling van Gerrit Dou en hij is ook beïnvloed door Rembrandt. Het precieze schilderen van Dou zie je terug in het gelaat van de man en die losse toets van Rembrandt in zijn donkere kleding. Hier houd ik van, het is een mooi plankje, het kan in elk museum van de wereld hangen. Ja, dit gaat ook naar de TEFAF.”

Lilian koopt zo’n twintig procent van zijn schilderijen op veilingen. Zijn assistente checkt elke week op internet wereldwijd alle veilingen op zeventiende-eeuwse Hollandse meesters. „Ik koop nooit in op een foto op internet, als er iets is, ga ik het zelf bekijken. De laatste jaren speelt artnet.com een belangrijke rol in de kunsthandel omdat het alle veilingprijzen publiceert en de klanten een idee geeft wat schilderijen opbrengen. Als ik iets op de veiling koop, en later verkoop, weten ze tot op de cent mijn winst. Maar de meeste schilderijen die op de veiling komen zijn vies en je weet niet hoe het er na een schoonmaak zal uitzien. Ik neem dus een risico, want zo’n schilderij kan ook lelijk onder een schoonmaak vandaan komen. Bovendien laat ik veel research doen, zodat een schilderij goed gedocumenteerd is. Daardoor krijgt het een meerwaarde.”

Bij de aankoop op veilingen werkt hij vaak samen met andere grote handelaren in oude Hollandse kunst: Johnny van Haeften uit Londen en Otto Naumann uit New York: „We kopen samen en delen het risico. Zo zijn we kapitaalkrachtiger. In de Verenigde Staten mogen handelaren niet samen bieden omdat dit de inbrenger zou benadelen. Daar redeneert men dat handelaren samen de prijzen kunnen drukken. Maar ik zeg: het is net andersom: door samen te kopen kunnen we juist hoger bieden. Gelukkig kan het in Londen nog wel.”

Hij legt uit waarom particulieren bij de aankoop van een schilderij op de veiling duurder uit zijn dan bij een handelaar: „Als er een goed schilderij op de veiling komt, wil de handel het hebben. Een particulier moet lang tegen bieden en vaak verliest hij het uiteindelijk toch.”

De meeste schilderijen die hij verhandelt komen niet van de veiling, maar uit particuliere verzamelingen. „Ik koop veel in Frankrijk en Duitsland, meestal via een tussenpersoon. Dat zijn de runners, die hebben een goed oog, weten waar de interessante schilderijen zitten en bellen me op. Die runners moet je te vriend houden. Je ontmoet ze op veilingen, ze willen geen handelaar zijn, dat geeft te veel risico, maar ze tippen de handelaren en vragen provisie.”

Hij vertelt over de permanente strijd tussen veilinghuizen en handelaren om kunstwerken van particulieren te bemachtigen: „Wie is er het eerst bij. Meestal wint het veilinghuis. Dat zie je nu ook bij de Goudstikkercollectie. Een paar schilderijen uit die collectie zijn voor mij interessant. Ik was er heel dichtbij dat ik ze kon krijgen, maar het zal me niet lukken. De meeste worden in april bij Christie’s in New York geveild.”

Vier jaar geleden kwamen Lilian en Noortman in het bezit van een landschap van Salomon van Ruysdael dat in Londen bij Christie’s was geveild en dat afkomstig bleek uit de Goudstikkercollectie. De advocaat van Goudstikkers erfgename Marei von Saher eiste het werk in een brief op. Christie’s wilde het niet terugnemen. Lilian: „We hebben het schilderij afgestaan, voor niets, aan Marei von Saher. Ze heeft het meteen in New York op de veiling gebracht.”

Lilian is ‘ambivalent’ over de teruggave van oorlogskunst: „Ik vind het terecht dat kinderen of kleinkinderen van joden die in de oorlog beroofd zijn hun bezit alsnog terugkrijgen. Ik ben zelf joods. Maar het is nu vooral big business geworden voor advocaten. Kunsthandelaren zijn er niet blij mee. We moeten zo voorzichtig zijn met onze aankopen, ik laat de oorlogsgeschiedenis van elk schilderij checken door het Art Loss Register. Van mij mag die teruggave nu wel een keertje afgelopen zijn.”

Hoewel de zeventiende-eeuwse schilderkunst ‘altijd een goede belegging blijkt te zijn’ verkoopt hij meer aan liefhebbers dan aan beleggers: „Er zijn wel klanten in Zwitserland die hun schilderijen meteen in een kluis parkeren, maar dat zijn er niet veel. Ik houd daar niet van. Ik ga het liefst met mijn boormachine naar mijn klanten om het schilderij zelf bij hen thuis op te hangen.”

Goed kijken, daar draait

alles om in de kunsthandel en ook op de TEFAF. In het gesprek met Lilian komt het ‘kijken’ steeds aan de orde. „Ik loop altijd te spieden: hoe is de toestand van een doek, loopt de fijne craquelé wel door het hele schilderij, of is die er later opgetekend? Zie ik originele verf of zijn er restauraties geweest, retouches? Is er gesjoemeld met de signatuur? Ik heb een groot voordeel: ik ben bijziend, min zeven. Al mijn collega’s gebruiken een loepje, maar als ik mijn bril afdoe zie ik met twee ogen alles tussen de 10 en 15 centimeter voor me haarscherp. Ik kan overal doorheen kijken, ik heb signaturen herkend die niemand heeft gezien.”

En dan geeft hij ineens een klein college kunstgeschiedenis en vertelt meeslepend waardoor naast het gebruikelijke disegno-schilderen in Florence aan het eind van de vijftiende eeuw in Venetië het colorito-schilderen ontstond, zonder contourlijnen: „In Florence werden veel fresco’s gemaakt, waarbij alle vormen werden omlijnd, maar in Venetië was het te vochtig voor fresco’s, de muurschilderingen vergingen. Dus ging men daar over op doek, grof linnen. Bovendien had een Venetiaanse schilder in Vlaanderen gezien hoe Jan van Eyck met olieverf werkte en niet meer met tempera. Dat werd in Venetië overgenomen. De kunsttheorie was daar: je moet alles schilderen, niets meer omlijnen en dat was makkelijker met olieverf op doek. Tijdens mijn studie was ik enkele maanden in Italië om de Florentijnse en Venetiaanse schilderkunst te vergelijken. Hoe ze de verf opbrachten, de penseelstreek. Aan dat scherpe, praktische kijken wordt nu op de universiteit veel te weinig aandacht besteed. Daar zou ik weleens een paar gastcolleges over willen geven.”