Wij willen geen aap meer zijn

De bloggers van de late 18de eeuw schreven hun vingers blauw aan schimpscheuten en satire. Niet alles is nog zo herkenbaar als ‘Reize door het Aapenland.’

J.A. Schasz M.D.: Reize door het Aapenland (1788). Met een voorwoord van Gerrit Komrij en annotaties van Peter Altena. Vantilt, 127 blz. € 13,50

David Hess: Hollandia Regenerata (1797). Met een nawoord van Joost Rosendaal. Vantilt, 64 blz. €29,90

Satire is altijd plaatsgebonden, en heeft altijd een beperkte houdbaarheid. Zelfs als je nog elke dag Petronius, Van den vos Reynaerde, Cervantes, Voltaire of Swift zou lezen, zou je ze niet lezen uit nieuwsgierigheid naar wat ze ooit over de hekel hebben gehaald, want dat is allemaal verzonken, en we weten het intussen wel. Een plaats in de wereldliteratuur is weggelegd voor satirici die aan hun eigen satire zijn ontstegen.

De Delftse plateelschilder Gerrit Paape (1752-1803), die in de jaren tachtig van de 18de eeuw de patriottenpartij omhelsde, lid werd van een Delfts vrijkorps en stukjes begon te schrijven in een patriottisch gezinde plaatselijke krant, zou nooit tot de wereldliteratuur doordringen, en heeft zelfs zelden een handboek voor de Nederlandse letteren gehaald. Zijn houdbaarheid bleek te beperkt.

Toen de bijna-burgeroorlog tussen oranjeklanten en patriotten in 1787 was gesmoord door een Pruisisch leger dat de regerende stadhouder te hulp schoot, namen een paar duizend inwoners van de zieltogende Republiek de wijk naar de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk. Paape vestigde zich als politieke vluchteling in Duinkerken. In 1795 – toen de Franse ‘bevrijders’ onder aanvoering van generaal Pichegru de bevroren grote rivieren waren overgestoken – keerde hij terug. Eerst als een soort embedded verslaggever bij de troepen van de Nederlandse patriottengeneraal Daendels, later in allerlei functies die hem waarschijnlijk nooit waren gegund als hij zich in de voorgaande jaren niet als een voorbeeldige ‘Bataaf’ had gedragen.

Paape behoorde tot de ruime kring van Hollandse publicisten die tussen 1781 en het eind van de eeuw hun vingers werkelijk blauw hebben geschreven. Ze schreven in kranten of weekbladen die ze voor een deel zelf hadden opgericht, ze gaven afzonderlijke pamfletten of ‘paskwillen’ uit, ze lieten eigen toneelstukjes opvoeren door amateurverenigingen, ze bestreden Engeland, Pruisen en de stadhouder, maar bestreden als het moest ook elkaar. Ze bleven in negen van de tien gevallen anoniem, of beschermd door een schuilnaam, en dikwijls werkten ze om zo te zeggen dubbel-anoniem, door het onderwerp van hun satire nog eens extra te verhullen in een allegorische vermomming. Maar in hun ijver leken ze wel moderne bloggers.

Een beeld van al die half-revolutionaire schrijfdrift rijst op uit de vele monografieën die pas de afgelopen jaren aan hun al half vergeten schotschrijverij zijn gewijd – het verhaal van Pieter ’t Hoen en de Post van den Neder-Rhijn (Teeuwen, 2002) bijvoorbeeld, of de kortstondige geschiedenis van het satirisch weekblad Janus (Van Wissing, 2003), om maar twee recente publicaties te noemen.

Kunnen we als lezer uit de vroege 21ste eeuw nog spontaan meegenieten van de al dan niet verborgen schimpscheuten, valsigheden en hekelingen die de tientallen auteurs voor de toenmalige samenleving en voor hun tijdgenoten hadden gereserveerd?

Daar heb je het punt van de plaatsgebondenheid en de houdbaarheidsdatum. Actualiteit is de vijand van de eeuwigheid. Een satire op André Rouvoet is voorbij Wuustwezel aan niemand meer besteed, die blijft onherroepelijk lokaal. Om de nuances in een satire op de Wim Kok van vijf jaar geleden te ontdekken, moet je misschien al een paar oude kranten naslaan. Een satire op Willem Drees die in de jaren vijftig van de vorige eeuw misschien hilarisch is geweest, vergt een halve eeuw later een college politicologie. En over bijna elk hekeldicht van Vondel moet je als leek door een literair historicus worden bijgepraat. Dat leest niet erg ontspannen.

‘Wil een boek voortleven’, schrijft Gerrit Komrij in zijn voorwoord tot Reize door het Aapenland, ‘dan moet de lezer van nu er nog net genoeg in kunnen herkennen’. Gerrit Paape lijkt me een grensgeval. Hij had een kordate en regelrechte hand van schrijven – dat is voor zijn dagen al heel wat. Zijn taal is niet erg gedateerd. Driekwart van de royale hoeveelheid voetnootverduidelijkingen die Peter Altena in zijn Aapenland-editie aanbracht, had een geoefende lezer van oude teksten kunnen missen. En z’n apenverhaal is op een onmiddellijke manier toegankelijk en amusant – aan omslachtigheden waaronder de meesten van zijn schrijvende tijdgenoten hun lezers gebukt lieten gaan, bezondigde hij zich weinig. Paape is nog net herkenbaar voor de lezer van nu.

De twee elementen in zijn satirische fabel die in de late 18de eeuw populair waren, namelijk de diersymboliek en het motief van de imaginaire reis, zijn allebei nog lang courante vertelartikelen gebleven. De geschiedenis van het aapdom dat innig verlangt menselijk te worden, doet vanzelf aan Orwells Animal Farm denken; en aan veel hedendaagse sf-romans ligt een stramien van fictieve reizen ten grondslag.

Als Paapes ik-figuur zich in z’n woonplaats onhandig in de nesten heeft gewerkt, neemt hij de wijk (zoals patriotten die de stadhoudersrestauratie van 1787 ontvluchtten?) naar een ander land. Als ze daar elke vreemdeling duur laten boeten voor z’n immigratie (dat lijkt, misschien per ongeluk, wel héél actueel!) reist hij door naar het land van de Apen. Daar is hij welkom. Hij is er extra welkom omdat de apen zich dus juist beraden over hun hang naar de mensheid, en hij misschien als adviseur kan dienen. Want hoe moeten ze zich verheffen? Langs de weg van (tijdrovende) emancipatie, of in één klap, dat wil zeggen door hardhandig het enige af te kappen wat ze van de mens onderscheidt, te weten hun staart?

Waar het even treurige als bloederige einde precies de verzinnebeelding van wil zijn, blijft voor ons, lezers van twee eeuwen later, in het duister. Het is trouwens heel goed mogelijk dat Paape het zelf ook niet heeft geweten. Reize door het Aapenland is nou eenmaal geen Gulliver’s travels dat als één grote, consistente allegorie werd geconcipieerd en geschreven. Paape was nou eenmaal geen Swift.

Paape moest het hebben van ‘deel’-satires. De gesprekken over nut en nadeel van de menswording die zijn hoofdpersoon voert met buur-apen bij wie hij als een Tarzan avant la lettre op visite gaat, zijn bijna zonder uitzondering op een hedendaagse manier geestig – hij kan er al z’n venijn, z’n spot, z’n vrouwonvriendelijkheid en z’n cynisme in kwijt. Hoogtepunt is de scène waarin hij een ‘schrijf’-aap ontmoet, die alles op bestelling levert, en die moet glimlachen om de verzekering van de ik-figuur dat mensen de ‘boekmaakerij’ beschouwen als ‘een edele uitspanning des hoogvliegende vernufts’. Waarom wil hij dan toch met alle geweld mens worden? ‘Om de Wereld’, antwoordt hij, ‘nog veel bedekter en met oneindig meer voordeel te kunnen bedriegen’.

Was Paape een achttienkaraats patriot en ‘Bataaf’? Er is reden om te geloven dat hij in z’n ballingschap is bekomen van z’n geestdrift, en er na een paar jaar Bataafse Republiek helemaal z’n bekomst van kreeg. Na 1798 schijnt hij niets meer gepubliceerd te hebben – het pseudoniem J.A. Schasz M.D., dat hij merkwaardig genoeg heeft gedeeld met onder anderen Pieter ’t Hoen, is sindsdien ongebruikt gebleven.

Hij stierf te jong om nog helemaal ‘om te zwaaien’. Je zou graag een latere ‘paskwil’ van zijn hand hebben gelezen over de teloorgang van alle Bataafse idealen – al was het maar omdat er veel geschreven (en getekende) satire bestaat van patriotse zijde, en nog altijd weinig bekend is over het antwoord van de orangistische tegenpartij die na 1795 ook moet zijn ondergedoken in Schasz-achtige schuilnamen.

Des te mooier dat tegelijk met het Aapenland de kleine verzameling Hollandia Regenerata is uitgegeven: 20 prenten van David Hess die als lid van de Zwitserse Garde van 1787 tot na 1795 in Nederland heeft gewoond, en die al snel een gezonde, aan afkeer grenzende scepsis ontwikkelde jegens de Bataafse hysterie, en zijn onvrede vorm gaf in schitterende karikaturen waarin de diverse, ‘Comités’ genoemde departementen van de nieuwbakken republiek stuk voor stuk met meesterhand over de hekel worden gehaald. De oplage is beperkt, de aanschaf meer dan de moeite waard. Hier is de tijdgebonden satire weer ruimschoots boven haar voorwerp uitgestegen.