Wat alleen in een boek kan

Als er zoiets als een specifiek literaire humor bestaat, valt die onder de noemer ironie. Verzet tegen ironie is eigenlijk verzet tegen de literatuur zelf.

Toen ik begon met recenseren, nam ik mij voor nooit een boek te kraken waar ik om had moeten lachen. Lachen is een fysieke reactie buiten de wil om, en dus een bijna objectief bewijs dat een boek je iets gedaan heeft. Hetzelfde geldt natuurlijk voor huilen. Toch koester ik veel meer wantrouwen jegens de traan dan jegens de lach. De tranen biggelen mij soms over de wangen bij de meest afgrijselijke sentimentele films of tv-programma’s, vooral wanneer peilloos leed plotseling wordt weggenomen. Er gaat zoveel fout in het leven, dat elk bewijs van het tegendeel mij blijkbaar weerloos maakt.

Ook het lachen kent zijn dubieuze zijde: het leedvermaak. Misschien moeten we wel zo huilen om genante goedmakers omdat we zo vaak hebben gelachen om andermans ellende en tegenslag. De wegen van het schuldgevoel zijn ondoorgrondelijk.

Een onschuldige vorm van leedvermaak is de slapstick: de gulle lach die opklinkt als we iemand zien uitglijden over de spreekwoordelijke bananenschil. Minder onschuldig is het als iemand volslagen belachelijk wordt gemaakt en wij het uitgieren van de pret. De polemiek leeft van deze weinig verheffende medeplichtigheid: niet het onderwerp is daarin het belangrijkst, maar de mate van geestig vernuft waarmee de een de ander op papier weet af te maken.

Ongemerkt komen we zo terecht bij de kwestie waarover ik het wil hebben: bestaat er een typisch literaire humor? Dat zou een vorm van humor moeten zijn die alleen in de literatuur mogelijk is. De polemische lach valt daarmee af, want hoe geestig en humoristisch een polemiek ook kan zijn, in een lijfelijk debat zou men waarschijnlijk even hard hebben geschaterd. In een polemiek is de literaire vorm ondergeschikt aan het retorisch geweld.

En bij de vorm moeten we wezen. Sinds de 18de eeuw heet literatuur, in tegenstelling tot retorica, belangeloos te zijn en zelfs zonder nut, terwijl de nadruk minder op de inhoud dan op de vorm wordt gelegd. Ware literatuur dient in de richting van muziek te gaan, vonden bijvoorbeeld de romantici.

Bestaat humor in de muziek? Ongetwijfeld, maar om die te herkennen moet je het nodige van muziek afweten. Zonder voorkennis lukt het niet. Zo is het ook bij typisch literaire humor. Don Quichots verwisseling van fictie en werkelijkheid wordt pas echt grappig als je ook het literaire schaduwgevecht met de ridderroman herkent. Vermakelijk zijn de zwarte en gemarmerde bladzijden in Tristram Shandy van Lawrence Sterne of – om een eigentijds voorbeeld te noemen – de vaak zotte noten en illustraties in Atte Jongstra’s De avonturen van Henry II Fix.

De humor zit in het spel met de literaire conventies, die je moet kennen om van elke afwijking de grap in te zien. Anders wordt het flauw en melig en zal de reactie zijn: op een zwarte bladzijde valt toch niets te lezen. Inderdaad, net zo min als in het boekje van Topor waarvan alle woorden zorgvuldig zijn doorgestreept: geen idee waar het over zou kunnen gaan, maar ik heb het grinnikend doorgebladerd.

Voor iedereen begrijpelijk lijkt me het zeer geestige hoofdstuk in Heines Das Buch Legrand, dat bijna geheel bestaat uit liggende streepjes – destijds de manier om aan te geven dat de censuur een passage had geschrapt –, op vier woorden na. Drie aan het begin: ‘Die deutsche Zensoren’, en één in het midden: ‘Dummköpfe’. Dat is toch leuk en het is alleen in een boek mogelijk. Typisch literaire humor kortom, net als dat sonnet van Gerrit Komrij, waarvan elke regel uitsluitend vertelt hoe je formeel een sonnet kunt schrijven. De inhoud is hier volledig vorm geworden, anders dan normaal het geval is.

Het meer algemene principe dat zich in al deze voorbeelden laat aanwijzen is dat van de verrassing: je moet lachen omdat er iets gebeurt wat je niet had verwacht. In romans komen geen zwarte bladzijden voor, sonnetten gaan over de liefde of de dood. De verrassing berust op een omkering en de stijlfiguur die daarbij hoort heet: ironie.

Gerard Reve was er de grootmeester van. De ironisering zit bij hem in de plechtstatigheid waarmee hij over banale dingen schrijft en vooral omgekeerd: in de banaliteit waarmee hij doorgaans plechtig verwoorde zaken ter sprake brengt. Of in zo’n dialoogje dat een opgewonden passage in Op weg naar het einde onderbreekt: ‘Mammie, droomt hij dat nou allemaal, of is het echt? – Kind, niet zo zeuren’.

Ironie is de noemer waaronder de typisch literaire humor kan worden samengevat. Alle verzet tegen de ironie (die niet serieus genoeg zou zijn en van alles een grap zou maken) is daarom zinloos, tenzij men ook van de literatuur zelf af wil.

Binnen de literatuur is de ironie namelijk een heel serieus principe. Voor de romantici was zij hét middel om, via een voortdurende relativering van elke ingenomen positie, tot het Absolute te geraken. Omdat het een oneindig proces betrof, was het Absolute uiteindelijk onbereikbaar, maar dankzij de ironie bleef de zaak wel in beweging. Ook de literaire humor brengt ons nergens, behalve bij de laatste pagina, maar in een boek zonder humor duurt het veel langer voordat we die bereiken.