Vrijheid van roomijs

Clint Eastwoods tweede film over de Amerikaanse invasie van het Japanse eiland Iwo Jima is een loflied op het patriottisme. Maar geen eenduidig loflied.

D-day mag voor ons 6 juni 1944 zijn, hoewel ook dat steeds minder, maar er was nog een andere D-day, die van Iwo Jima, een Japans eiland ongeveer twaalfhonderd kilometer ten zuiden van Tokio.

D-day Iwo Jima vond plaats op 19 februari 1945. Hevige bombardementen gingen aan de Amerikaanse invasie vooraf, maar waarschijnlijk niet hevig genoeg. Op 18 februari 1945 wisten de bevelhebbers van de Amerikaanse strijdkrachten dat de Japanners op Iwo Jima zich goed hadden ingegraven. Toch werd besloten de bombardementen niet voort te zetten en de invasie als gepland op 19 februari te laten doorgaan. De commandanten van de Marines hadden expliciet gevraagd om nog eens tien dagen te bombarderen.

Zevenduizend Amerikaanse soldaten kwamen bij de invasie van Iwo Jima om het leven, een kleine twintigduizend raakten gewond. Aan Japanse zijde sneuvelden ongeveer tweeëntwintigduizend militairen. Zij hadden gezworen dat er maar één gegronde reden was om de positie die ze moesten verdedigen te verlaten: de dood.

Waren de Amerikanen langer doorgegaan met bombarderen, dan waren vermoedelijk veel Amerikaanse levens gespaard gebleven.

Toen ik onlangs aan een expert vroeg of de Amerikaanse soldaten in Irak en Afghanistan kogelvrije vesten droegen, begon hij honend te lachen. „Dat zijn scherfvesten”, zei hij. „Die houden niets tegen maar ze zijn wel handig om een balpen en een notitieblokje in te bewaren. Kogelvrije vesten zijn veel te duur.”

De keuze tussen geld en leven is een lastige en wordt niet altijd in het voordeel van het leven beslist.

De vraag of de invasie van

Iwo Jima strikt noodzakelijk was om de oorlog tegen Japan te winnen hebben historici niet eenduidig kunnen beantwoorden.

Over de invasie van dit eiland heeft Clint Eastwood twee films gemaakt. Om te beginnen Flags of our Fathers.

Op 23 februari 1945 – of om in militaire termen te blijven op ‘D+4’ – veroverden Amerikaanse troepen het hoogste punt van Iwo Jima, de Suribachiberg. Een Amerikaanse vlag werd geplant, fotograaf Joe Rosenthal maakte van het planten van die vlag een foto, en die foto ging vervolgens de wereld over. Later bleek dat er twee keer een vlag was geplant en dat Rosenthals foto wellicht geënsceneerd was, in ieder geval dat het niet om de originele vlagplanters ging. In moderne oorlogsvoering zou dat niet vreselijk belangrijk moeten zijn, en dat vonden de autoriteiten ook.

De Amerikaanse regering meende dat deze foto de psyche van de bevolking die genoeg van de oorlog begon te krijgen, goed zou doen. Drie van de zes jongens op de foto van Rosenthal (de anderen leefden niet meer) werden naar Amerika gehaald om te helpen oorlogsobligaties te verkopen. Oorlog is een dure hobby.

Over deze drie jongens (Ira Hayes, Rene Gagnon en John Bradley ook genaamd Doc) gaat Flags, over de discrepantie tussen wat oorlog is en wat er thuis van overblijft. Misschien ook wel over de onmogelijkheid om te vertellen wat oorlog echt is.

Dat deze jongens een heldenrol krijgen toegedicht waarover ze zelf ambivalente gevoelens hebben, moeten ze maar slikken. Dat het ware verhaal van het planten van de vlag de autoriteiten uiterst ongelegen komt, daar moeten ze zich in naam van de oorlogsobligaties ook maar overheen zetten. Het verhaal dient de werkelijkheid te versimpelen, anders weet het publiek niet waar het aan toe is en dan vreet het publiek het niet meer. Een probleem dat iedere journalist zal herkennen.

Zo lijkt Flags een oorlogsfilm maar is hij in feite een film over de mefistofelische verlokkingen van de roem. De oorlogsscènes zelf, hoe goed ook, vallen een beetje in het niet bij die uit Platoon van Oliver Stone of de nog altijd ongeëvenaarde oorlogsfilm Paths of Glory van Stanley Kubrick. In die laatste film tovert kolonel Dax (Kirk Douglas) zijn Franse troepen tijdens de Eerste Wereldoorlog uit de loopgraaf door op zijn fluitje te blazen. Terreinwinst: nul meter. Doden en gewonden: ontelbaar. Ik kan geen loopgraaf in een film zien zonder aan kolonel Dax te denken, en ook in Flags meende ik zijn fluitje weer te horen.

Een kennis in New York vertelde mij dat hij zich na het zien van Flags in de wc had opgesloten, had gehuild en tegelijkertijd de film had verfoeid omdat die hem niets nieuws over oorlog had verteld.

Over oorlog is vrees ik niet veel nieuws te vertellen. De kracht van Flags is dat hij je de wereld laat zien na die oorlog. Een beetje glamour, een beetje liefde en een beetje drank. Minder woedend en beschuldigend dan Oliver Stone dat deed met Born on the Fourth of July, minder dramatisch dan Michael Cimino’s The Deer Hunter, maar misschien daarom wel effectiever.

Op een avond zitten

de helden uit Rosenthals foto aan het zoveelste fundraise-dinertje, de Suribachiberg met vlag en soldaatjes is van roomijs nagemaakt en op de achtergrond zingen drie dames: ‘Here comes the freedom man, asking you to buy a share of freedom today.’ Dan pas begrijp je waarom er geen brug bestaat tussen de echte Suribachiberg en die van roomijs. Wie op de echte Suribachiberg is geweest moet daar blijven. De vraag die Eastwood oproept luidt: bestaat patriottisme nog als vrijheid van roomijs is gemaakt?

Ik geef over het algemeen de voorkeur aan films die je de keuze laten om ontroerd te raken of niet, die je geen tranen opdringen. Die keuze gunt Flags de toeschouwer niet. Niemand kan met droge ogen de bioscoop uitlopen zonder zich een zwijn te voelen.

Het vervolg op Flags of our Fathers, Letters from Iwo Jima, laat de invasie van het eiland van de Japanse kant zien.

De acteurs komen uit Japan, de voertaal is Japans en toch maakt Eastwood zich nergens schuldig aan exotisme, zoals Ian Buruma terecht opmerkte in The New York Review of Books. Je hoeft geen Japans te verstaan en ook geen kenner te zijn van de Japanse cinema om te begrijpen dat het ‘Allo Allo-effect’ hier niet optreedt. (Allo Allo is een komische soap over verzet en verraad in Frankrijk ten tijden van WO II.)

De verdediging van Iwo Jima was in handen van luitenant-generaal Kuribayashi die de defensiestrategie besloot te wijzigen en het bevel gaf een netwerk van tunnels en verschansingen aan te leggen.

Kuribayashi, door Ken Watanabe uitgebeeld als een zachtaardige, bijna gevoelige man, is het tegendeel van wat men zich voorstelt bij een fanaticus. Hij is begaan met zijn troepen, hij is redelijk, hij veracht sadisme en zinloos bloedvergieten en toch laat hij er geen twijfel over bestaan dat hij bereid is voor zijn land te sterven. Als Kuribayashi zijn troepen informeert dat hij altijd voorop zal gaan, is dat meer dan een loze, en daarom perverse kreet. Hij meent het.

Zo is deze Kuribayashi als patriot geloofwaardiger dan welke Amerikaanse militair ook uit Flags. En wie Letters ziet vlak na Flags bekruipt het gevoel dat Clint Eastwoord daarmee iets wil beweren. Dat waarachtig patriottisme elders nog wel bestond (en misschien ook bestaat), maar dat bij ons alle heldenmoed al bij voorbaat is teruggebracht tot het niveau van roomijs.

Een van de uitspraken die me het beste is bijgebleven uit Flags of our Fathers is van Ira Hayes: „Het enige wat ik deed was proberen om niet geraakt te worden.”

Een zekere lafheid is niet alleen begrijpelijk, een zekere lafheid is ook een mensenrecht. Precies over dat recht maakte Stanley Kubrick de al eerder genoemde film Paths of Glory.

Patriottisme, een woord dat in onze contreien alleen nog cynisch kan worden gebruikt, krijgt gaandeweg Letters from Iwo Jima zijn betekenis terug.

Tot de scène waarin een soldaat die op een eliteschool voor militairen in Tokio zat zijn verhaal vertelt. Hij is naar Iwo Jima verbannen omdat het hem niet lukte een hond neer te schieten. Hij kon het niet.

Pas dan wordt het loflied op patriottisme minder eenduidig dan ik aanvankelijk had gedacht.

Clint Eastwood laat de mefistofelische bedreigingen zien die van twee verschillende kanten op ons azen: de roem en het patriottisme.

Maar, en dat is zijn genialiteit, hij laat niet alleen de bedreigingen en valkuilen zien. Hij toont minstens zo indringend de verlokkingen.

Hij neemt die verlokkingen serieus. Oorlog in tijden van roomijs kan bijzonder aanlokkelijk zijn.