Vijgenblad tegen onderzoek Irak

Het linkse front dat ons het generaal pardon bracht is gebroken. Partijen in dit front eisten tot en met de campagne voor de Kamerverkiezingen ook onderzoek naar de ‘politieke steun’ die Nederland in 2003 gaf aan de Amerikaanse inval in Irak. Voor dat onderzoek bestaat nu zelfs in aanleg geen meerderheid meer sinds de PvdA, de grootste partij binnen het front, die eis heeft ingeslikt.

Dat moet gebeurd zijn in de loop van de onderhandelingen over het regeerakkoord, maar in dat akkoord zelf is daarover niets terug te vinden. De PvdA-fractievoorzitter in de Tweede Kamer heeft het er zicht- en hoorbaar moeilijk mee, maar meent dat we ons van nu af aan op de toekomst moeten richten.

Het probleem is alleen dat het verleden zich in het heden voortzet en ook in de toekomst realiteit blijft. Er bevindt zich nog steeds een handvol militaire instructeurs in Irak als uitvloeisel van de ‘politieke steun’ van destijds. En niemand spreekt over spoedige beëindiging van die missie.

Achter de roep om een onderzoek ging intussen heel wat meer schuil. De eisers stond al voor ogen wat de uitkomst zou (moeten) zijn: vaststelling dat de toenmalige Nederlandse regering zich door de Amerikaanse bondgenoot om de tuin heeft laten leiden, dat de invasie zelf in strijd met het volkenrecht was en dat de ‘politieke steun’ én de voortdurende militaire aanwezigheid in Irak daarmee volkenrechtelijk op zijn minst als omstreden dienen te worden gekwalificeerd.

De grootste partij in de nieuwe coalitie, leverancier van de premier van toen en nu, had daar geen oren naar. We mogen aannemen dat het onderzoek een breekpunt in de formatie had betekend als de PvdA niet was ‘omgegaan’.

Vanzelfsprekend is het belangrijkste argument van de eisers dat de Amerikaanse claim als zou het Irak van Saddam Hussein bij het begin van de invasie nog altijd over massavernietigingswapens hebben beschikt, van nul en generlei waarde blijkt te zijn geweest. Zelfs Amerikaanse onderzoeken tijdens de bezetting hebben dat aangetoond. Redenen te over om na te gaan hoe het bewerken van Nederland door transatlantische vrienden zich heeft voltrokken.

Maar dan komen de tegenstanders van een onderzoek met een vondst: in de Haagse overwegingen hebben die wapens destijds geen rol gespeeld. Nederland wond zich erover op dat Saddam opeenvolgende resoluties van de Veiligheidsraad naast zich neerlegde. Dat was de grond voor de ‘politieke steun’. En dat feit was en is zo klip en klaar dat onderzoek ernaar volstrekt overbodig is.

Het is een redenering, maar er is veel op af te dingen. In de eerste plaats: voor de invasie ontbrak een mandaat van de VN-Veiligheidsraad. Voor Amerika, dat preventieve oorlogvoering als normaal dagelijks recept hanteert, onweerlegbaar geen probleem.

Maar Nederland ziet zichzelf als verdediger van de internationale rechtsorde en wordt (of moet het werd zijn?) als zodanig erkend. Plaatsing van internationale gerechtshoven in Den Haag is daarvan een rechtstreeks uitvloeisel. Oprekken van de tekst van oudere VN-resoluties als zouden die toch zoiets als een mandaat hebben opgeleverd, verhogen niet Nederlands geloofwaardigheid.

Ten tweede: Saddam had zich nu juist wel gevoegd. Eind 2002 keerden de VN-inspecteurs terug in Irak. Hun advies was meer tijd uit te trekken voor inspecties alvorens tot verdergaande maatregelen over te gaan.

Het zou geen kwaad hebben gekund als de verantwoordelijke internationale autoriteiten hun positieve bevindingen resoluter onder de algemene aandacht hadden gebracht. Maar er was alleszins ruimte hun op het cruciale moment het voordeel van de twijfel te gunnen.

Resoluut daarentegen was de manier waarop de regering-Bush de internationale gemeenschap manipuleerde en vervolgens tot de al lang voorgenomen en voorbereide invasie overging. Waarom hieraan ‘politieke steun’ moest worden gegeven, is tot op heden onduidelijk gebleken. Het verhaal over de onbeantwoord gebleven resoluties is tegen die achtergrond niet meer dan een diplomatiek vijgenblad.

Hoezeer de Haagse redeneertrant bezijden de werkelijkheid staat, is ten overvloede af te leiden uit een recent artikel van Scott Ritter, voormalig officier in het Amerikaanse Marine Corps en van 1991 tot 1998 VN-inspecteur in Irak. Scott Ritter, gerenommeerd criticus van de regering-Bush, richt zich nu tegen het echtpaar Clinton en tegen presidentskandidaat Hillary Clinton in het bijzonder. De auteur schetst hoe ook de vorige president het verhaal over de aanwezigheid van massavernietigingswapens misbruikte om in Irak te bereiken, waarom het hem wezenlijk ging: verandering van het regime in Bagdad.

Scott Ritter verhaalt hoe CIA-directeur James Woolsey „een verhaal fabriceerde als duurde in november 1993 de aanwezigheid van ballistische raketten in Irak voort nadat ik een gedetailleerd rapport had uitgebracht waarin de bevindingen van de VN-inspecteurs werden onderstreept dat het Irakese rakettenproject fundamenteel was ontmanteld”.

Scott Ritter maakt aannemelijk dat het oorspronkelijke inspectieteam in Irak, ondanks tegenwerking, al in de jaren onmiddellijk na de bevrijding van Koeweit in staat was gebleken zijn opdracht uit te voeren en Saddam van zijn massavernietigingswapens te ontdoen. Echter, opeenvolgende Amerikaanse regeringen hadden de ‘hype’, zoals hij het noemt, over die wapens nodig om hun afrekening met de despoot van Bagdad kracht bij te zetten.

Na de invasie kreeg Scott Ritter steun van onverwachte kant. De tweede man op het Amerikaanse ministerie van Defensie, Wolfowitz, liet in een interview weten dat de gesuggereerde aanwezigheid van die wapens als argument was uitverkoren omdat de verschillende geledingen in politiek Washington zich het eenvoudigst op grond daarvan van de onontkoombaarheid van een inval lieten overtuigen.

En niet alleen politiek Washington, zoals een Haags onderzoek zou uitwijzen als het gehouden zou worden.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.