Stilleven bij de vuilnisbak

Op een zonnige dag van 2006 mocht ik de prijs van de Internationale Vereniging van Kunsthandelaren ontvangen. In een toespraak werd gemotiveerd waarom. Ik had met mijn kunstpraatjes voor de tv de belangstelling voor kunst bij de kijkers gewekt of geïntensiveerd en dat was ook goed geweest voor de kunsthandel. Anders gezegd: mijn socialistisch doorleefde bevordering van cultuurparticipatie had een prijsopdrijvend effect gehad. Met een schok werd ik herinnerd aan het feit, dat wat ik aanprijs als eeuwige schoonheid bestaat uit spullen waar ooit een prijskaartje aan gehangen heeft of nog steeds hangt. Sterker nog, mijn aanprijzen heeft invloed op wat er op dat prijskaartje staat. De beoefening van de geschiedenis van kunst en de handel erin zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Ik herinner mij nog goed, wanneer ik mij voor het eerst van dit effect van kunsthistorisch bezig zijn bewust werd. Toen ik aan de Rijksuniversiteit Groningen werkte, zette ik mij in voor meer bekendheid van schilders van de Groninger kunstenaarsvereniging ‘De Ploeg’ uit de jaren twintig van de vorige eeuw, zoals Hendrik Werkman, Jan Altink, Wobbe Alkema, Job Hansen, Jan Jordans en Jan van der Zee. Die inzet kwam tot uiting in kunstkritieken, radiopraatjes en de organisatie van tentoonstellingen, aanbevelingen voor museale aankopen en vooral wetenschappelijk onderzoek, dat uitmondde in een aantal publicaties. Ik begon ermee, omdat behalve aan Werkman aan deze prachtige modernisten van vroeger nauwelijks aandacht werd besteed. Er was alleen een voortreffelijke doctorale scriptie van Ad Petersen uit de jaren vijftig. Werken van de oude ‘Ploegers’ waren dan ook spotgoedkoop en dreigden niet zelden met het oud vuil te worden meegegeven. Ikzelf vond in de jaren zeventig een beeldschoon stilleven van Jan Altink bij de vuilnisbak.

Geleidelijk groeide de belangstelling. Er kwamen steeds meer museale verwervingen en tentoonstellingen. Particuliere verzamelaars werden actief. Veilinghuizen deden steeds betere zaken met ‘Ploeg-schilderijen’. Er ontstonden kunsthandels die zich specialiseerden in Gronings expressionisme. In veertig jaar stegen de prijzen van Ploegschilderijen van bedragen van drie tot bedragen van vijf cijfers. Mede door mijn kunsthistorisch werk. Ik maakte mee, dat de schilderijen, die werden geëxposeerd in kunstzaal Pictura in Groningen, hogere prijzen kregen, doordat ik er de avond ervoor over had gesproken voor de Regionale Omroep Noord en Oost. Het was een ontnuchterende ervaring.

Vooral in de jaren zeventig, toen men zich aan de universiteiten onledig hield met marxistisch moraliseren werd de verwevenheid van kunstgeschiedenis en kunsthandel als iets schandaligs gebrandmerkt. Alleen al daarom ging men zich wijden aan de bestudering van zogenaamde ‘Trivialkunst’, wat weer tot gevolg had dat er een levendige handel in dat soort rommel ontstond. Het is nu eenmaal onvermijdelijk dat kunsthistorici met hun onderzoek kunst in de etalage van de handelaar zetten. De erkenning daarvan is noodzakelijk om veel mechanismen in de omgang met kunst te kunnen begrijpen. Wijlen Rob Noortman was een van de weinige handelaren die daarover zonder mystificeren met je kon praten. Hij kwam mij eens opzoeken in het Rijksmuseum en zei toen hij mij zag: „Wij gaan over de duurste tweedehands spullen.” Zo is het maar net. Omdat er alles aan wordt gedaan om je dat niet te laten bedenken, is er nog veel onderzoek te doen naar de relatie kunsthandel-kunstgeschiedenis. Geformuleerd in de brabbeltaal van onderzoeksmanagers: die relatie is nog onvoldoende wetenschappelijk gethematiseerd. Vandaar dat het geld van mijn Kunsthandelaren-prijs daaraan zal worden besteed.