Ruslandkenner, van links naar liberaal

Marius Broekmeyer was een van de meest opmerkelijke Ruslandkenners van Nederland. Eerst uiterst links, later VVD’er. En altijd dwars en bevlogen.

Psi laju a karavan prolazi – de honden blaffen en de karavaan trekt verder. Die Servo-Kroatisch woorden sierden de overlijdensadvertentie van Marius Broekmeyer, die op 6 maart in Amstelveen stierf. Ze betekenen zoiets als ‘ze kunnen me wat, ik doe toch wat ik wil’. Beter kun je deze bijzondere geleerde niet karakteriseren.

Marius Broekmeyer werd geboren in 1927 in Haarlem als zoon van een onderwijzer. Na niet-voltooide studies klassieke talen en rechten in Groningen trok hij naar Amsterdam. Daar studeerde hij aan het Rusland Instituut Russische geschiedenis, taal- en letterkunde bij de befaamde hoogleraar Bruno Becker, de leermeester van Karel van het Reve en J.W. Bezemer. Na zijn afstuderen bleef hij tot aan zijn pensioen verbonden aan dit instituut, dat vanaf 1961 Oost-Europa Instituut heette.

Anders dan zijn collega’s ontpopte hij zich al gauw als een uiterst linksgeoriënteerde wetenschapper. Zo had hij aanvankelijk grote bewondering voor het Joegoslavië van Tito. Voor zijn promotieonderzoek naar het arbeiderszelfbestuur in dat land trad hij zelf enige tijd toe tot een arbeidersbrigade die wegen aanlegde. Maar in 1968 was zijn liefde voorbij. Zijn proefschrift uit dat jaar, De arbeidersraad in Zuid-Slavië, 1950-1966, laat zien dat er van dit systeem niets deugde.

Tijdens de democratiseringsbeweging aan de Nederlandse universiteiten, begin jaren zeventig, kreeg Broekmeyer zijn definitieve bekomst van demagogisch links. Zo nam hij het op voor de Amsterdamse hoogleraar politicologie Hans Daudt, die door marxistische studentenactivisten werd geterroriseerd. In het vervolg stemde hij op de VVD.

Broekmeyer was in zijn wetenschappelijk werk eerder een maximalistische feitenverzamelaar dan een analyticus. Met ongekende werkkracht spitte hij kilometers Russische kranten, boeken en tijdschriften door. Zijn studenten maakte hij als geen ander enthousiast voor zijn vak. Als je bereid was net zo hard te werken als hij, kon je altijd op zijn hulp rekenen en was je zijn ‘kameraad’. Na zijn pensionering schreef hij nog twee belangrijke boeken over de Sovjet-Unie: Het verdriet van Rusland (1995), over de ellende op het platteland, en Stalin, de Russen en hun oorlog (1999). In zijn laatste boek Bedrogen bedriegers. Stalin contra Hitler (2006) probeerde hij aan te tonen dat de Russen de Duitse inval van 1941 bewust hebben uitgelokt.

Eind vorig jaar openbaarde zich bij hem een ongeneeslijke vorm van kanker. Tegen zijn vrienden die afscheid van hem kwamen nemen zei hij welgemoed: „Ik vind het niet erg dood te gaan. Ik heb geschreven wat ik wilde. Mijn leven is klaar.” Ook dat leven heeft hij geleid zoals hij wilde – bevlogen, dwarsliggend, altijd strevend naar rechtvaardigheid en zich niets aantrekkend van de blaffende honden die hun nek zelden voor anderen uitsteken.