Pas op voor de naaktloper

Op de 21.000 satirische prenten die in 18de-eeuws Londen werden gepubliceerd, staan nogal wat lieden in onfatsoenlijke poses.

Vic Gatrell: City of Laughter. Sex and satire in eighteenth-century London. Atlantic Books, 696 blz. €43,–

Wie de cover van Vic Gatrells nieuwe boek bekijkt zou kunnen denken dat het een Londen beschrijft waar in de hele 18de eeuw de vrolijkheid over seks in woord en daad niet van de lucht was. Bij nader toezien blijkt dat de periode die City of Laughter behandelt maar voor de helft in de 18de eeuw ligt – ongeveer van 1780 tot 1830 – en dat het boek ook niet wil bewijzen dat de vrijheid in de seksuele omgang, en de tekeningen die meester- satirici ervan maakten, de stemming in de stad domineerden. De titel klopt niet; gelukkig is de inhoud veel beter.

De groeiende waardering van het Londense publiek in het laatste kwartaal van de 18de eeuw voor de soort satire die honderd jaar later onfatsoenlijk gevonden zou worden, betekende geen breuk met het verleden. Onfatsoenlijke grappen waren sinds lang gewild in Engeland. De toename ervan was een modeverschijnsel dat bevorderd werd doordat een aantal bijzondere talenten zich na 1780 als satirische tekenaars liet gelden. Rowlandson, Gillray en Cruikshank zijn bekende namen gebleven; zij hadden vele vakgenoten, allemaal slecht betaald, nog slechter dan de grote drie die bij hun leven nooit figuren van aanzien werden, hoe hun werk ook insloeg.

Kleine oplagen

Volgens Gatrell zijn er in de periode die hij bespreekt ongeveer 21.000 prenten gepubliceerd, altijd afzonderlijk in kleine oplagen, en niet als illustraties in bladen. Wat er tot nog toe door historici van behandeld is, zijn meestal de politieke satires; zelden de beelden van het Londense leven, de karikaturen, de schuine en andere grappen die er meer dan de helft van uitmaken. Dat deel wil Gatrell onder de aandacht brengen.

Dat de lachlust van de lezer vaak opgewekt wordt door zijn boek ligt niet aan de stemming van de Londenaren in het algemeen. Dat is te danken aan de selectie van 289 van de apolitieke tekeningen die Gatrell tussen zijn tekst aanbiedt. Anders dan de politieke hadden die wel onpersoonlijk kunnen zijn in hun uitbeelding van feesten en partijen, dronkenschap en seksuele verrichtingen. Zo werkten zij niet. Ook de feestvierders en de seksuele partners werden herkenbaar gepresenteerd met namen en al. De bekendste van hen was de Prins van Wales, die later Regent werd en tenslotte tien jaar lang Koning George IV. In die laatste periode verflauwde de satirische golf, in het algemeen en voor de koning in het bijzonder doordat hij zijn voornaamste critici afgekocht had. Hij was altijd een geschikt slachtoffer geweest omdat zowat niemand in Londen het voor hem opnam; hij werd algemeen veroordeeld omdat hij een hoop van ’s lands financiën opeiste voor zijn feesten, kunstwerken en paleizen; en terwijl zijn seksuele avonturen niet doller waren dan die van vele anderen werd hij tegen 1820 ook nog eens zwartgemaakt om zijn behandeling van zijn echtgenote Caroline, die al jaren in Italië woonde en die hij op zijn kroningsplechtigheid niet naast zich wilde hebben.

Wie dit boek alleen nog doorgebladerd heeft zal zich al bijna voldaan voelen door de vele kleurrijke plaatjes van de prins en honderden andere Londenaren, mannelijke en vrouwelijke, een heel aantal in onfatsoenlijke poses, soms half naakt, soms helemaal. Er is zoveel om te lachen dat zij het vertrouwen bevestigen zo niet in de Engelse traditie van humor als een aaneengesloten blok, dan toch in de Engelse humoristische buien als de beste van Europa: soms op het toneel, soms in de literatuur, en op de televisie, en soms ook eens een tijdje in een uitbarsting van ongegeneerde karikaturen.

Doodstraf

Wij moeten Gatrell erkentelijk zijn dat hij zoveel werk gedaan heeft in de Lewis Walpole Library van Yale en in het British Museum in Londen dat er nu van de tienduizend apolitieke tekeningen nog maar 9.700 onbekend blijven. Waarschijnlijk heeft hij tien jaar aan dit boek gewerkt, naast zijn professoraat in Essex; zijn vorige, over honderd jaar (1770-1868) doodstraf in Engeland dateert van 1995.

Dat zijn net nieuwe boek veel tijd heeft gekost wordt goed begrijpelijk als wij na de plaatjes ook de hele tekst bestuderen. Er staat zoveel in over de satiristen en hun levensomstandigheden en over de slachtoffers en hun levenswijze dat het af en toe duizelingwekkend wordt. Een beetje minder zou ook al heel wetenswaardig geweest zijn, kan de lezer zeggen – en dan toegeven dat het allemaal ter zake is. Die erkenning moet nog eens vernieuwd worden bij het laatste hoofdstuk, dat over de jaren na 1830 gaat toen Engeland begonnen was zich keurig uit te drukken in plaats van ongegeneerd. Daar wordt een weinig bekende chroniqueur genaamd Francis Place over geraadpleegd die ons in 41 dikke delen indrukken heeft nagelaten van het dagelijks leven tot zijn dood in 1854. Dat het saai geschreven is kan Gatrell niet afschrikken: hij heeft er gegevens uitgehaald die laten zien hoe de stijl van Londen zich omvormde tot burgerlijk, plichtmatig, degelijk, fatsoenlijk in de Victoriaanse stijl.

De omwenteling wordt door Gatrell aan de hand van Place nog eens verduidelijkt. Er is bij hem veel te leren over de manier waarop een cultuur van gedaante kan veranderen, en wie er zich in verdiept zal toegeven dat zijn werk de duizeling waard is.