Ondernemen uit wanhoop in Franse banlieue

De Franse voorsteden komen meestal alleen in het nieuws als er rellen zijn. Maar er zijn ook verrassende initiatieven. Zoals het verstrekken van voornamelijk uit de derde wereld bekende microkredieten.

Abdel-Basset Zitouni (46) is een welgeklede heer met fijne gelaatstrekken en een schrandere blik – niet iemand die er uitziet alsof hij kwade bedoelingen heeft. Maar dat telt niet meer als hij de deur openduwt in een Franse probleemwijk.

In de trappenhuizen in de wijk Val Fouré in Mantes-la-Jolie, een banlieue-stad vlakbij Parijs, kom je argwaan tegen. Veel argwaan. „Goedemiddag, ik werk voor een vereniging die jongens zoals jullie helpt een eigen bedrijf te beginnen”, begint hij tegen twee massieve, zwarte jongens die net van de markt komen. „Hebben jullie een idee dat je zou willen uitvoeren?”

„Vraag maar aan Goro!”, roepen ze meteen afwerend. „Die weet er alles van!” Ze beginnen te wijzen. „Hij zit buiten. Rechtsaf, hij hangt rond in een groepje. Kaalgeschoren kop, je herkent hem zo.”

Even later is Goro – imposant litteken op zijn donkerzwarte hoofd – gevonden. Hij hangt met een paar vrienden tegen een auto. En begint te steunen. Nee, hij heeft „geen ideeën”. Hij is 21, werkloos, en hij „wacht af”. Want hij „wordt betaald”. Een uitkering. „Ik leef van dag tot dag”, legt hij onwillig uit. „Maar misschien ga ik later mijn rug breken, zoals mijn vader dertig jaar heeft gedaan.”

Abdel-Basset Zitouni probeert hem over te halen eens te kijken bij een restaurantje dat hij heeft helpen opzetten. „Daar kan je zien dat je ook baas kunt worden als je uit deze wijk komt.” Goro kijkt ongelovig. Achteraf zegt hij: „Zulke mensen brengen valse hoop. Je begint geen onderneming door even met je vingers te knippen.”

Val Fourré is zo’n Franse achterstandswijk die vooral in het nieuws komt als er rellen zijn, drugsoorlogen of immigratieproblemen. Bijna de helft van de 50.000 inwoners van Mantes-la-Jolie woont hier. Meer dan negentig procent van de inwoners heeft allochtone ouders of grootouders en dertig procent van de beroepsbevolking is werkloos.

Sinds hier begin jaren negentig bij rellen doden vielen, is de wijk een laboratorium voor reddingsplannen voor de banlieue: harde politie-aanpak, sociale begeleiding en woningbouw gaan hand in hand. Maar de problemen blijven onveranderd groot. „Er heerst wanhoop”, zegt Zitouni. „En de overheid voelt niet altijd aan wat hier speelt.”

Abdel-Basset Zitouni werkt niet voor de overheid. Hij is geen welzijnswerker, geen politieman. Ooit was hij historicus, toen restauranthouder, it’er, nu belegger. Maar vooral bestiert hij sinds 2002 in Mantes de Vereniging van Jonge Franse Ondernemers. Hij begeleidt ondernemende jongeren uit de banlieue.

En hij spoort talenten op, soms letterlijk op straat. Met een machtig wapen. Zitouni brengt jongeren in contact met stichtingen die microkredieten verstrekken – leningen tot 10.000 euro die vooral bekend zijn uit ontwikkelingslanden in Azië, Afrika en Zuid-Amerika.

In Frankrijk wordt het middel sinds vorig jaar steeds populairder in de voorsteden. Een directe aanwijzing voor groeiende armoede, meent Zitouni: „Je moet je serieus afvragen of we in Frankrijk niet onze eigen derde wereld in de banlieue hebben.”

De wonderolie voor de banlieue is microkrediet niet, zegt Aziz Senni (30) in zijn kantoor aan de rand van Val Fourré. Maar het is wel een uitstekend middel om je eigen baan te scheppen. Senni is er zelf een van de bekendste Franse voorbeelden van, sinds hij vlak voor de rellen van najaar 2005 een boek publiceerde over de ‘sociale lift’ die niet werkt (‘En daarom heb ik de trap genomen’).

Zeven jaar geleden schafte Senni met microkrediet een auto aan – het begin van zijn eigen taxibedrijf voor groepsvervoer. Nu heeft hij 120 werknemers, een omzet van 6 miljoen – plus tal van andere lucratieve activiteiten, waaronder sinds een maand een investeringsfonds voor grote leningen in de banlieue.

Dat de lust tot ondernemen in de banlieue groeit, komt deels uit teleurstelling, meent Senni. „Mensen geloven er niet meer in dat zij via diploma’s op de arbeidsmarkt kunnen slagen.” Ze hebben volgens hem „te veel discriminatie” meegemaakt – naar afkomst, maar ook naar leeftijd en woonplaats. Maar volgens Senni schuilt in de banlieue een „waanzinnige energie”. En die moet „gekanaliseerd” worden, „anders gaat die energie in illegale activiteiten zitten” – handel in drugs en wapens. ‘Gewoon’ ondernemen is niet eenvoudig. Niet alleen omdat banken hier geen leningen verstrekken. Senni: „De eerste rem is psychologisch. Als je hier woont, heb je nooit een buurman of familielid die ondernemer is, of advocaat, of boekhouder. Je hebt geen voorbeelden.”

Abdel-Basset Zitouni kwam Senni in 2002 tegen, bij de koffieautomaat. Dat was het begin van hun ondernemersvereniging. Nu gaat hij elke dag naar zijn kantoortje, in een oud industriecomplex bij Mantes-la-Jolie. Tientallen kleine bedrijfjes zitten er.

Op zijn kleine werkkamer is het een drukte van belang. Najet Chekbar (40) is uit de Alpen gekomen met haar zelfontworpen streetwearjack. Ze wil een onderneming opzetten. Slimane Bensala (24), een vlotte babbelaar uit het naburige Chanteloup-les-Vignes, is al een jaar bezig. Op het computerscherm passeren foto’s van beroemdheden – zoals Barcelona-voetballer Eto’o – met hun ‘Benmaz-shirt’. „Haute couture uit de banlieue, dat had nog niemand geprobeerd.”

Ondernemen uit wanhoop? Charles Basse (43) loopt rond met enquêteformulieren voor het drankje dat hij heeft ontworpen: ‘Ibisso’, een „verfrissende frisdrank” op basis van hibiscusplanten uit Senegal en Mali. Basse werkte veertien jaar op een bank. „Maar ik wist dat ik jaren zou moeten wachten voordat ik misschien hogerop zou komen.” Discrimatie? Hij wil er niet aan denken. Ondernemen was „een positieve stap”. Basse heeft met drie anderen 60.000 euro geïnvesteerd. Ooit wil hij met Ibisso de werkgelegenheid stimuleren in Afrika, waar zijn ouders vandaan komen. Nu draait Ibisso nog verlies.

Goro zegt op straat dat hij wel onder discriminatie lijdt. „Dat is verrot. Daarom krijg ik geen werk, geen woning.” Het onderwerp komt ter sprake na een vraag over zijn wanhoop. „Dat is een groot woord”, zegt Goro. „Als we wanhopig waren, hadden er al velen zelfmoord gepleegd.” Dan: „Maar die neiging hebben vooral blanken, als ik dat mag zeggen. Ik ben geen racist. Maar ik kijk om me heen. Ze komen hier praten over criminaliteit, maar de grootste moordenaars zijn blanken.”

Zitouni hoort dat vaak, klachten over de zwart-wit tegenstelling. „Ze denken dat er twee heel verschillende clans in de wereld zijn. De blanken, die alles hebben, en zij.” Goro verkeert volgens Zitouni nog in de „dynamiek van de wanhoop”. Daarom moet hij om te beginnen af en toe buiten de wijk komen, ondernemende mensen ontmoeten. „Dan gaan we heel snel van wanhoop naar hoop.”