Nu heet zij Wilders

Dit is nummer 52. Omdat ik te lui ben om telkens wanneer ik een column voor deze krant opsla op mijn harde schijf een hippe file-name te verzinnen, geef ik ze een nummer. Zo weet ik dat het een jaar geleden is dat ik u voor het eerst vanuit dit hoekje mocht toespreken.

Nummer 1 ging over het verplichte inburgeringsexamen, dat toen net was ingevoerd, en over de Kroatische scholiere die geen eindexamen mocht doen in Nederland omdat het de hoogtijdagen waren van het tautologische dogma dat regels regels zijn. In die dagen bestond Rita Verdonk nog.

Nu, een jaar later, heet zij Wilders. Maar het debat gaat eigenlijk nog steeds over precies hetzelfde, namelijk over de vraag hoe wij Nederland kunnen vrijwaren van buitenlands gespuis. Twee staatssecretarissen met verdachte achternamen en een verfoeid geloof worden dwarsgezeten, hoewel zij het verplichte inburgeringsexamen met glans zouden doorstaan. Een Kamerlid met een even verdachte achternaam wordt gedwarsboomd omdat zij onbezoldigd adviezen geeft aan de Marokkanen. En dat terwijl Wilders zelf de Marokkanen bij voortduring geheel onbezoldigd adviseert om staatssecretaris in hun eigen land te worden als ze de koran niet willen verbranden. Het Kamerlid zou gewerkt hebben voor een buitenlandse overheid. Alsof Balkenende niet de facto in opdracht van de Amerikaanse overheid werkt door elk onderzoek naar de invasie van Irak bij voorbaat te torpederen.

Het grote verschil met een jaar geleden is dat de ophef nu wordt veroorzaakt door een totaal machteloos anti-islampartijtje. Toen was het Verdonk, die zelfs deel uitmaakte van de regering. Zo valt er na een jaar ook nog wel iets te vieren.

En toch ben ik niet vrolijk. Dat komt doordat het er maar steeds over blijft gaan. Het is de bangheid van een land dat klein is, ook wat zijn oppervlakte betreft. Het is angst voor verdachte achternamen die telkens weer in een andere gedaante de kop opsteekt. Het getuigt niet van kracht en moed om Nederland te beschermen tegen anderssoortigen, maar om hen als vanzelfsprekend te accepteren. Die moed wens ik Nederland toe, zodat ik het over een jaar over iets anders kan hebben.