Niet de anderen, maar jijzelf bent de hel

De leukste roman die ik ooit las, blijkt na herlezing ook een van de pijnlijkste te zijn. Jarenlang bewaarde ik hilarische herinneringen aan Holzfällen van Thomas Bernhard, een roman uit 1984. Het is een boek uit de slotfase van zijn schrijverschap, toen de dood hem op de hielen zat en hij ontzagwekkend veel publiceerde – te veel volgens zijn Nederlandse critici, die het ernstige vroege werk koesterden en niet veel ophadden met de lange, honende zinnen waarmee de oudere Bernhard zijn wereld te lijf ging: Oostenrijk, Wenen, de mensen van Wenen, het theater van Wenen, de kranten van Wenen, de toiletten van Wenen. Over de latere Bernhard werd hier altijd gezegd dat hij zo mooi kon schelden. Tegenwoordig wordt over Bernhard weinig meer gezegd.

In Holzfällen, hier nooit vertaald, bevindt de verteller zich bij een artistiek Weens echtpaar thuis, voor een ‘künstlerisches Abendessen’. Het is een avondje in een gemeenschapshel, de ‘Wiener Gesellschaftshölle’. Het wachten is op de eregast, een acteur van het Burgtheater, die volgens het gezelschap schittert in een productie van Ibsens De wilde eend, al blijkt halverwege de roman dat vrijwel niemand het stuk heeft gezien. Het is ook de avond na de begrafenis van een jeugdvriendin, die zich heeft opgehangen. De verteller, die het kunstzinnige echtpaar 20 jaar heeft gemeden, zit in een fauteuil bij de ingang van het appartement en verliest zich in haat tegen zijn oude vrienden. Hij stapelt zijn hyperbolen van afkeer en afschuw; de leegheid en pretentie, de benauwende zinloosheid van het artistieke gebabbel wordt in lange zinnen zwelgend geëtaleerd. Die zinnen zijn kostelijk precies. De platitudes die Bernhard zijn personages in de mond legt, zijn komisch in hun leegheid. Maar Bernhards satire is niet zelfgenoegzaam, zoals die van W.F. Hermans: het leven van de verteller blijkt hopeloos verknoopt met die van zijn belachelijke vrienden van weleer, én met het belachelijke Wenen. Dat had ik bij die eerste lezing, eind jaren tachtig, ook wel door, maar niet dat Holzfällen zo’n desperaat boek is. De verteller moet onder ogen zien dat die belachelijke wereld waarvan hij zich al 20 jaar heeft afgekeerd, toch zijn wereld is, dat de mensen die hij 300 bladzijden zit te haten, toch liefheeft, dat het meest afschuwelijke aan alles zijn eigen onvermogen is. De hel, moet hij toegeven, dat zijn niet de anderen, dat is hijzelf.

Thomas Bernhard: Holzfällen, Suhrkamp, 320 blz. € 10,50. Luisterboek bij Hörverlag, € 39,95.