‘Moppen zijn het domein van de dommen’

Voor uitgever en bloemlezer Vic van de Reijt betekent humor bedwongen wanhoop, voor dichter en bloemlezer Gerrit Komrij is het uitgestelde verwachting. Tegen het thema van de Boekenweek hebben beiden zo hun bedenkingen. Alsof je boeken met humor in een apart hokje moet stoppen. Een ernstig gesprek over scherts, satire en ironie in de Nederlandstalige literatuur.

‘Gevoel voor nonsens is een mentale houding. Dat hebben niet alle mensen”, zegt Gerrit Komrij. Op verzoek van uitgever Vic van de Reijt stelde hij met Tysger Boelens de nonsens-encyclopedie PerpleXicon samen. Dit in alle betekenissen van het woord fantastische abc van de nonsens, met lemma’s als ‘abracadaïsme’, ‘aliciade’ ‘Battus’, ‘Herenleed’, ‘Jarry’, ‘paradox’, ‘parodie’ en ‘zwarte humor’, moet een tegenwicht bieden aan de ‘lolligheid’ waar het motto van de Boekenweek toe uitnodigt.

Zowel Komrij als Van de Reijt plaatst vraagtekens bij het motto ‘Lof der zotheid’. De ondertitel, ‘scherts, satire en ironie’, is volgens hen een miskenning van wat zij als de hoogste vorm van humor beschouwen, de nonsens. „Humor, satire, scherts en ironie hebben wel raakpunten, maar zijn ook heel verschillend”, doceert Komrij. „Als je humor heel breed definieert, kan alles eronder vallen. Ik weet niet wat er met dat motto beoogd wordt, maar ik denk: gewoon lekker lachen hè. Terwijl humor een zuurdesem is dat literaire werken aangrijpend maakt in plaats van tot opluchting te leiden.”

Vic van de Reijt heeft als uitgever bij Nijgh &Van Ditmar veel humoristisch werk in zijn fonds, van cabaretteksten en persiflages op poëzie tot wrang- geestige romans van auteurs als Arnon Grunberg en Theodor Holman. Hij vreest dat het Boekenweekthema humoristische literatuur in een apart hokje plaatst. „Er wordt gedaan alsof je twee soorten literatuur hebt, de ernstige en de humoristische. Voor mij bevat alle goede literatuur humor. Het zou kwalijk zijn als de boekenweek uitsluitend aandacht genereert voor komische boeken in tegenstelling tot ernstige literatuur. Het wordt pas interessant als die beide genres elkaar raken.”

Humor betekent voor Van de Reijt bedwongen wanhoop, voor Komrij uitgestelde verwachting, zegt hij: „Er zijn allerlei definities van humor, maar het gekke is dat je daarbij niet denkt aan schrijvers die als humoristisch bekend staan, zoals Godfried Bomans. Mensen die echt lollig willen schrijven, zijn meestal niet zo humoristisch. Een kenmerk van goed schrijven is dat je mensen ineens aan het schrikken maakt of laat wachten op iets wat komt, wat dan juist niet komt – dat kan komisch werken. Het is het een kwestie van stijl en niet van: kijk mij eens leuk zijn. Humor ontstaat zonder dat je je daar bewust van bent. Nescio is humoristisch door zijn manier van kijken, niet door wat hij beweert. Hij beweert nauwelijks iets.”

Welke definitie van humor je ook hanteert, altijd valt de naam Willem Elsschot als wordt gevraagd naar de meest humoristische Nederlandstalige schrijver. Vic van de Reijt is Elsschot- kenner en werkt aan diens biografie. „Lijmen is superieur. Misschien heb je een grote dosis zelfhaat nodig om humoristisch te zijn. Elsschot zei ooit: Ik haat geestige mensen, terwijl hij er zelf één was. Die zelfhaat zal ook uit zijn biografie blijken. Ik weet niet of er een speciaal talent bestaat voor humor, maar zeker is dat humor en intelligentie bij elkaar horen.”

Volgens Komrij is wantrouwen jegens de mensheid essentieel voor humor. „Domme mensen zijn nooit humoristisch. Ze kunnen wel moppen vertellen. Van die domme moppen waar je met een bevroren gezicht naar luistert. Als ik ergens een hekel aan heb, is het aan moppen. Moppen zijn het domein van de dommen.”

Elsschot was een Belg en volgens zijn biograaf is Belgische humor anders dan Nederlandse, surrealistischer. „Iemand als Kamagurka is onbestaanbaar in Nederland, maar ik denk ook aan schrijvers als Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Paul Mennes.” Komrij is het met hem eens. Hem is opgevallen dat in België humor vanzelfsprekender is dan bij ons. ‘„In Nederland is het een apart genre en wordt het geïsoleerd. De Belgen zijn er veel natuurlijker in, vooral in de erge vormen van humor. Mijn ‘Encyclopedie van de stront’, Kakafonie, is in België dankbaar ontvangen, hier moet je uitleggen waarom dat boek geestig is.”

Toch geloven ze allebei niet dat de Nederlandse literatuur gebukt gaat onder gebrek aan humor. „Alle belangrijke schrijvers zijn in zekere mate humoristisch”, beweert Van de Reijt. „Denk aan de Schoolmeester, Piet Paaltjens, Multatuli, Nescio, Hermans, Gerard Reve, Karel van het Reve. Biesheuvel, Grunberg.” Komrij noemt ook Mulisch. „Diens hele oeuvre valt onder de hogere ironie.”

Van de Reijt zou graag een pendant uitgeven van het onlangs door Kees van Kooten samengestelde Mijn plezierbrevier, een verzamelbundel van Engels-Amerikaanse humoristische verhalen. „Al was het maar om tegenwicht te bieden aan de zwaarwichtige keuze die Joost Zwagerman in zijn bloemlezingen heeft gemaakt. Er zijn in Nederland veel geestiger verhalen geschreven dan die hij heeft geselecteerd. Naast schrijvers als Bomans moet je denken aan Carmiggelt, misschien zelfs Justus van Mourik, Jacques van der Ster en andere vergetenen. Remco Campert zou je ook moeiteloos in zo’n bloemlezing kunnen opnemen.”

Komrij typeert de verhalen van Campert als milde spot. „Aangenaam om te lezen, maar niet dat je je knieën eraf slaat van het lachen.” Mild zou je ook de humor kunnen noemen waar Van Kooten blijkens zijn Plezierbrevier van houdt en die hij zelf definieert als ‘natuurleuk’. „Het is een beetje jarenvijftighumor”, vindt Van de Reijt. En Komrij: „Er bestaat inderdaad jarenvijftighumor waar mensen uit andere jaren niet meer om kunnen lachen: Een bekende uitspraak is dat niets zo snel veroudert als humor.”

Van de Reijt wijst op het ‘abc van de nonsens’, PerpleXicon, „daarin zijn met meesterhand tijdloze fragmenten gekozen. Maar dan hebben we het ook over nonsensliteratuur die in PerpleXicon als volgt wordt gedefinieerd: ‘Nonsensicale humor is humor die nergens goed voor is. Het is absolute humor, l’humour pour l’humour. De pointe is juist het ontbreken van een pointe. Nonsens balanceert tussen filosofische verbazing en schizofrenie, en verandert de lacher in wie hij was toen hij voor het eerst moest lachen.”

De meeste nonsensmensen nemen nonsens hoogst serieus, zegt Komrij. „Dat vind ik ook het mooie aan dit boek: er wordt een afbakening van het nonsensbegrip gegeven, waaruit blijkt dat het echt alleen maar is bedoeld voor de ware nonsensianen.” Volgens Van de Reijt onderscheiden die zich van andere humoristen door een gebrek aan moraal. „Nonsensianen zijn autonoom. Ze willen nooit opvoeden, nooit de wereld veranderen. Veel gewone humoristen zijn moralisten.”

„Vaak willen mensen iets bereiken met humor”, denkt Komrij. „Ze willen iemand overhalen, of strelen of paaien. Ze willen de lezer op hun hand krijgen door hem aan het lachen te maken. Nonsens wil niets. Het is de meest zuivere humor. Het heeft te maken met het surrealisme, de patafysica van Alfred Jarry, het absurde. Nonsens is ontdaan van iedere zingeving. Zingeving en humor gaan niet samen. Religie, seks en oorlog dulden geen humor. Om oorlog kun je niet lachen, met seks lachen is al helemaal dodelijk en religie... dat hebben we met die cartoons over Mohammed gezien. Meestal hebben ernstig religieuze mensen geen enkel gevoel voor humor.”

Vrouwen en humor gaan volgens Komrij wel samen. „Een vrouw op zichzelf is al humor”, gnuift hij, maar in PerpleXicon zijn ze niettemin dun gezaaid. Van de Reijt wijst erop dat Annie M.G. Schmidt er in staat, maar eigenlijk vindt hij zelfs haar nog te moralistisch voor nonsens. Voor nonsens moet je een speciale nihilistische instelling hebben en Komrij vermoedt dat vrouwen deze minder hebben dan mannen. „Mannen kunnen makkelijker een autonome wereld scheppen waarin ze alle schepen van de buitenwereld om zich heen verbranden.” Volgens Van de Reijt slaagde Henriëtte van Eyk daar af en toe in, zoals in De kleine parade , maar Komrij betwist dat. „Van Eyk trippelde en had een aardse sprankelende geestigheid. Annie M.G. Schmidt was alleen nonsensicaal als ze aan kinderfantasieën refereerde. Kinderen hebben gevoel voor nonsens voordat die er bij hen uitgeramd wordt. Misschien is het de taak van de vrouw om bij kinderen de nonsens eruit te slaan en hebben ze er daardoor een instinctieve afkeer van ontwikkeld.”

Wat is de geestigste roman? Daar heeft Komrij geen antwoord op. „Een roman die louter uit humor is opgetrokken bestaat niet. Je wilt meer in een roman: het beroemde wereldbeeld moet erin, een boodschap voor de mensen, een plot en de dood. Daar moet je dan een beetje humor doorheen mengen. Maar misschien zijn er wel volkomen absurdistische romans.” Het grote baggerboek van Ilja Leonard Pfeijffer is er zo een, zegt Vic van de Reijt. „Over honderd jaar zal dat als een van grootste voorbeelden van vroeg 21ste-eeuwse humor beschouwd worden.”

Komrij is meer gecharmeerd van onvrijwillige humor, van mensen die zichzelf vreselijk serieus nemen en geen moment in de gaten hebben dat ze lachwekkend zijn, zoals Friederike Kempner die, omdat ze uit Silezië kwam, de Silezische zwaan werd genoemd. „Zij wordt in PerpleXicon wegens haar wanstaltige poëzie als een genie van de onvrijwillige humor opgevoerd. Giza Ritschl was in de jaren dertig ook zo iemand. Zij was een mooie meid die met het Hongaarse circus was meegekomen. Alle Nederlandse dichters renden achter haar aan en schreven haar bundels de lucht in. Omdat het half Hongaars was, klopte er niets van die gedichten, maar men beschouwde ze als vroeg experimenteel gestamel.”

Van de Reijt vindt het als uitgever interessanter om te zoeken naar romans die geestig én goed zijn, zoals Familiefeest van Holman en het werk van Grunberg. „In Blauwe maandagen staat een zinnetje dat in Nederland niemand is opgevallen, maar in de Italiaanse kritiek iedereen. De moeder van de hoofdpersoon vertelt over haar concentratiekampervaringen en zegt: ‘Ik was het mooiste meisje van het kamp’. Het is de sleutelzin uit dat boek en van een gruwelijkheid en woede die je zelden tegenkomt.”

Gruwel, woede en humor sluiten elkaar niet uit, vinden beiden. En kwetsen moet kunnen, zegt Komrij: „Kwetsende humor is het beste wapen bij polemiek. Tegenwoordig worden we door politici toegesproken dat je niet op de man maar de bal moet spelen. Je moet het over de zaak hebben. Ammehoela. Eerst degene die de zaak verkondigt aanpakken. Dan krijg je te horen dat je respect moet hebben. Maar als er iets vijandig is aan humor dan is het respect, als kwetsen niet meer mag, kun je beter dood zijn.”

„Zolang kwetsen maar geestig is”, nuanceert Van de Reijt. „Dat was het probleem met Theo van Gogh, die was niet geestig. Hij was een drammer, een moralist.” Komrij ervoer Van Gogh eerder als spannend dan als humoristisch. „Je hield je hart vast over het eenzame avontuur waar hij mee bezig was. Er moet bij humor sprake zijn van tweerichtingsverkeer. Als je alleen maar preekt voor eigen parochie en je tegenstander niet hoort, dan verzandt je satire of humor in louter een betoog van eigen gelijk.”

Humor hangt in de visie van Van de Reijt vooral af van stijl en formulering, niet van grote woorden, geschreeuw of wilde taferelen. „Neem Reves Op weg naar het einde of Tien vrolijke verhalen. In het verhaal ‘Een lezing op het land’, over hoe hij met z’n dronken harses een zaal vol Friezinnen toespreekt, is vrijwel iedere zin leuk, terwijl het gaat over bedwongen wanhoop.”

Komrij: „Reves humor laat een beangstigende wereld zien, waarbij je denkt: ’t Is dat er te lachen valt, maar wat ben ik blij dat ik niet op die man lijk. Je moet je lezers de ergste waarheden over jezelf in de maag kunnen splitsen. Humor is een manier om je naaktheid te pantseren, maar daarvoor moet je die wel laten zien.”

Ook bij cabaret ligt volgens beiden de humor besloten in taal en stijl. „In PerpleXicon zijn dan ook alleen autonome cabaretiers opgenomen bij wie de actualiteit ondergeschikt is aan de taal”, zegt Van de Reijt. „Wim de Bie, Kees van Kooten, Freek de Jonge, Hans Teeuwen, Herman Finkers en Jiskefet. De tijden zijn al jaren rijp voor een enorme stoot aan humor, maar ik word als liefhebber van het genre ernstig tekortgedaan. In Nederland is de humor in een soort kanselcabaret aan het ontaarden.” En Komrij: „Als ik naar al die grapjassen op de Nederlandse tv kijk, zet ik mijn humorknop af.’’

Tysger Boelens & Gerrit Komrij: ‘PerpleXicon’. Nijgh & Van Ditmar, 344 blz. €29,90