Monty Python in een kafkaëske hel van bureaucratie

Theater: Monty Python’s Flying Circus door Bos Theaterproducties. Gezien 8/3 Leidse Schouwbrug. Tournee t/m 15/6. Inl. 020-4211221 of www.bostheaterproducties.nl

Admilaar Michier de Luytel meldt vanuit Vrissingen dat de Spaanse Vroot in aantocht is. Stadhoudel Wirrem van Olanje ontvangt de boodschappel die op een geer stadsblommeltje zit. De Japanse regisseur van dit historische drama geeft zich uit voor Paul Verhoeven en komt op om te klagen over de uitspraak van zijn spelers.

Dat kan alleen maar Monty Python’s Flying Circus zijn, maar dan overgezet naar een Nederlandse theatershow. Om oneerlijke vergelijkingen met de Britse tv-serie te voorkomen, stuurt regisseur Mark Timmer zo ver mogelijk weg van het origineel. Hij selecteerde vooral minder bekende sketches, waarvan de oerversies niet in ieders geheugen staan geprent.

De abrupte overgangen, het spotten met de dramawetten, de chaotische opbouw – de vaste stijlkenmerken van de serie – vervangt hij door een strakke vorm met langere lijnen. Hij neemt vooral sketches die min of meer gaan over een kafkaëske bureaucratie: een cliënt wordt tot machteloze wanhoop en woede gedreven door de onnavolgbare logica van een stel ambtenaren. Hoewel de sketches eigenlijk de grimmige ondertoon van het genre ontberen, wordt Monty Python ingelijfd bij het Theater van het Absurde.

De spelers dragen grijze overslagpakken, en staan in een donker, vrijwel leeg decor met alleen een bureau. Op de achterwand worden stadsgezichten van Jeroen Henneman geprojecteerd: grijze blokken, eindeloze rijen flats.

De spelers zijn erg geestig, vooral Jeroen Spitzenberger, die eerder in een klucht van Feydeau liet zien de perfecte timing en precisie te hebben voor dit soort komedie. Ook Finn Poncin en Eva van der Gucht zijn goed vertrouwd in de razendsnelle overgangen. Arnoud Bos is de ideale aangever: de normale mens die in deze absurdistische hel terecht is gekomen.

De strakke aanpak van Timmer werkt een klein uur, in het laatste half uur begint hij tegen de voorstelling te werken. Alles heeft te veel één kleur, de overgangen zijn te veel weg gepoetst. Timmer heeft wel één lijn aangebracht, maar dat is nog geen spanningsboog. Het selecteren van minder bekende sketches krijgt op den duur ook iets krampachtigs: die klassieke sketches zijn niet voor niets klassiek. Eén daarvan had de derde helft enorm opgeknapt. Nu begon deze toeschouwer in zijn hoofd een rijtje gemiste sketches te maken, en te wachten op het einde, dat, zeer Pythonesk, niet komt.