Mevrouw,

Met grote verbazing heb ik naar u gekeken. De kamer waarin uw stoel stond was verder leeg en het raam waar u vóór zat bood geen uitzicht naar buiten. Hij had niets van een huiskamer, want dan had ik enig idee gehad, welke mensen en dingen u in uw dagelijkse leven omringden, welke snuisterijen u dierbaar waren. Er was geen schoorsteenmantel waarop oude foto’s stonden. Dan had ik misschien kunnen zien uit welk gezin u kwam, of u getrouwd bent geweest en of u kinderen hebt gehad. Niets, helemaal niets. Was dat een bewuste keuze van u? Wilde u mij en anderen juist door de lege kamer en het gebrek aan persoonlijke verwijzingen de mogelijkheid ontnemen om u te ‘determineren’, om u vast te prikken op uw leven en levenservaringen en van hieruit uw dood te voorspellen? Juist in het aangezicht van de dood komt het op jezelf en niet op de buitenwereld aan, meende ik u te horen zeggen.

Ik zou zo eenzaam, zonder mensen om me heen die me dierbaar zijn, niet graag sterven. Maar, juist door het ontbreken van iedere verwijzing naar uw persoonlijk leven brengt u voor mij de kern van het doodgaan naar voren. [...] Ik zal uw beeld nog lang in mijn herinnering bewaren.

Gerard Koek