Marsalis Quartet raast als trein voorbij

Concert: Branford Marsalis Quartet. Gehoord: 8/3 Theater Lantaren/Venster, Rotterdam.

Eén ding stond vast bij de komst van de Amerikaanse saxofonist Branford Marsalis naar Rotterdam: dit wordt een noemenswaardig optreden. De kans om de musicus in een kleine club aan het werk te zien, komt zelden voor. Zijn status is bij ons gegroeid toen hij in 2003 in Amsterdam geschiedenis schreef met zijn versie van de bijzondere jazzsuite A Love Supreme. Voor de dvd van dat grootse concert ontving hij een Edison.

Naar aanleiding van zijn jongste album Braggtown zakt hij met zijn kwartet, een dag na een optreden in het Concertgebouw, af naar Rotterdam. De lucht in het ijlings vergrote zaaltje van Lantaren/Venster zinderde meteen van sterrenstof. En als applaus alleen al de graadmeter zou zijn, dan had Marsalis, oudste zoon van zes in de muzikale Marsalis-familie, na zijn opkomst niet eens meer hoeven spelen.

Marsalis begon gister met muziek van zijn voormalige pianist, de in 1998 overleden Kenny Kirkland. De energie tussen de vier musici, stuk voor stuk gevestigde namen, greep schitterend in elkaar. De contemporaine jazz overweldigde door de diepte, de intelligente wendingen en met geestdrift gespeelde variaties.

Marsalis plaatste zich regelmatig achter zijn drummer op een kruk. Hij observeerde en genoot, terwijl de goederentrein voorbij raasde in het stuk Samo, dat kreten ontlokte uit de zaal. Met een ‘ik weet ook niet wat het wordt’ blik haakte Marsalis telkens weer in, waarbij hij historische inspiratiebronnen als nieuw liet klinken.

Op tenor heeft Marsalis een fors, robuust maar niet speciaal herkenbaar geluid. Steeds vaker greep hij echter naar zijn sopraansax. Daarmee speelde hij subtieler en bedwelmend, zonder dat het braaf werd. Hij ging vaak in op het orkestrale spel van pianist Joey Calderazzo, wier beide handen zo veel mogelijk straffe kleurenpatronen brachten.

Ook niet te missen en van zeer grote invloed op het groepsgeluid: bassist Eric Revis. Zijn stempel drukte hij vooral op één van de drie toegiften, het nummer Black Elk Speaks. Het stuk stond bol van ingehouden woede; luide chants van pijn en onmacht dreven de groep even naar een andere tijd.