Lachen tot je lever ervan gaat schudden

Lachen is een delicate zaak. Je moet het wel op het juiste moment doen. Toen Christus aan het Kruis hing, meenden de omstanders dat de Here een dwaas was, en barstte men in schateren uit. Sindsdien is het lachen onder christenen verdacht, zo schrijft M. A. Screech in zijn onvergelijkbare studie Laughter at the Foot of the Cross (1997). Je ziet het nog steeds. De christenen willen wel lachen als een normaal mens, maar ze moeten er echt voor werken.

Er is een andere kant aan deze medaille. De lach-of-ik-schiet-kant. Zo ken ik iemand die zo hard mogelijk om zijn eigen grappen schatert, compleet met tranen van de pure humor. Omdat hij anders zelf niet gelooft dat zijn grappen leuk zijn, of omdat hij zich anders alleen voelt. Nu ben ik beslist geen lachhuiveraar, maar ’t moet géén verplicht nummer worden. In die zin voel ik me een echte christen.

Een boek als Gargantua en Pantagruel van de Franse schrijver François Rabelais levert in dit verband problemen op. Het begint immers zo: ‘Als ’t u eens lekker lachen doet in stee/ Van al die nare zorgen, dat chagrijn./ Liever een lach dan steeds ach en steeds wee,/ Want lachen blijkt mensen eigen te zijn.’

Hoho denk ik bij zo’n opening. Ik zoek zelf wel uit of lachen gepast is.

Er is méér dat me hindert bij Gargantua en Pantagruel. De personages schateren zelf zo veel. En anders praat Rabelais er zelf wel over. De lach-of-ik-schiet-kant:

‘Gargantua beet al lachend en lachte al bijtend…’

‘Hij kietelde zichzelf om te kunnen lachen…’

‘Toen ze vertelden wat hun zojuist was overkomen, lachte iedereen dat z’n lever ervan schudde…’

‘Wie lacht betaalt…’

‘Wie lacht verliest…’

De laatste twee uitdrukkingen stellen echter gerust. Er zitten dus zeker gevaarlijke kanten aan de lach. Uitkijken geblazen. Godzijdank, risicoloos leven stelt ook niks voor. En ik zie ineens wat Rabelais wil, met al dat geschuddebuik in Gargantua en Pantagruel. Hij wil zeggen dat het leven een tranendal is.

Ik lees dus verder in de hilarische avonturen van de gekken en dwazen in Rabelais’ reuzenboek. En dan begint het ineens. Ik voel op darmhoogte een golf aanzwellen, die vlak daarop de mond uit rolt. Daverend, hinnikend, bulderend, onbedaarlijk. Dit is niet langer lachen, het is erger. Onchristelijk gewoon, onbetaalbaar. Wie lacht, verliest. Rabelais richt een tranendal aan, door zijn pure humor. Hij laat je in de spiegel kijken, en je houdt het niet meer droog.

François Rabelais: ‘Gargantua en Pantagruel’. Van Gennep, € 48,–