Lachen, gieren, reizen en sterven

Focquenbroch en Van Overbeke waren de voorlopers van Hans Dorrestijn en Lévi Weemoedt. Lachen om twee expats.

Willem Godschalck van Focquenbroch: De Afrikaanse brieven. Hert. Thomas Rosenboom. Inl. Arie Jan Gelderblom. Prometheus, 91 blz. €12,95

Rudolf Dekker: Holland lacht. Honderd moppen uit de Gouden Eeuw. Wereldbibliotheek, 110 blz. € 9,95

Zeventiende-eeuwse Nederlanders waren gek op het maken van gedichten, liederen, rijmpjes, gelegenheidsverzen, regeltjes in vriendenboeken en geestige gevelopschriften. Maar de grote namen van 17de-eeuwse auteurs als Brederode, Hooft, Huygens en Vondel verduisteren de blik op het grote leger broodschrijvers en vrijetijdspoëten dat zich daarmee bezig hield. Tussen die vele half vergeten letterknechten waren er een paar met uitzonderlijk talent. Hun waardering is op zichzelf al een stuk vaderlandse geschiedenis: geliefd in de 17de eeuw, geduld en gekuist in de 18de, verguist in de 19de en langzaam gerehabiliteerd in de 20ste eeuw.

Tot deze schrijvers behoren twee originele, zeer taalgevoelige lieden, die ook nog eens opvallen door hun bijzondere levensloop. De een is de arts Willem Godschalck van Focquenbroch, de ander de jurist Aernout van Overbeke. Beiden hadden gestudeerd, waren gepromoveerd en genoten door hun humoristische verzen grote populariteit. En allebei waren ze zowel geverseerd in laag-bij-de-grondse thema’s als in verheven onderwerpen. Focquenbroch bewerkte Vergilius en liet zich inspireren door de Franse toneelschrijvers Molière en Scarron, Van Overbeke heeft een psalmvertaling op zijn naam staan.

Focquenbroch (1640-1670) schreef enkele succesvolle toneelstukken waaronder de Min in ’t Lazarushuys. Zijn kennis van Franse en Latijnse auteurs stelde hem in staat een lucide spel te spelen met hun teksten. Hij was zeer bedreven in het anti-petrarkisme, waarbij de sedert Petrarca populaire, verheven liefdeslyriek onbarmhartig werd omgedraaid. De aanbedene is niet langer voorzien van kersenrode lippen, sneeuwwitte tanden en flonkerende oogjes. Uw ooghjes, die als doove koolen / U sitten in de kop verschoolen, zo gaat het dan en: Uw mondtje vol gehuerde tanden, soo wijdt als twee span van mijn handen.

Focquenbroch is een voorloper van Piet Paaltjens, Hans Dorrestijn en Lévi Weemoedt. Ook meester Fock, zoals hij zichzelf noemde, wentelt zich in zwaarmoedigheid. Ook bij hem onbereikbare liefdes en eenzaamheid. Troost verschaft slechts een pijp tabak. Maar die wijst uiteindelijk ook alleen maar op de vluchtigheid van het bestaan, zoals hij vaststelt in het vers Spes mea fumus est (mijn hoop is rook).

Focquenbroch vestigde zich als arts in Amsterdam. Goed liep de praktijk niet en in 1668 liet hij zich aanstellen als fiscaal van de West-Indische Compagnie op Elmina, in het tegenwoordige Ghana. Focquenbroch moest hier toezien op smokkelaars en op de slavenhandel. Van hier schreef hij drie brieven naar het vaderland en nog een gedicht ‘Gedachten in mijn kano’. Deze burleske teksten zijn nu hertaald uitgegeven.

Focquenbroch beschrijft in die brieven zijn reis en zijn verblijf. Het is allemaal treurigheid. Op Elmina leeft hij geïsoleerd, het is bloedheet, de bevolking interesseert hem niet, de zwarte vrouwen raakt hij niet aan, net zo min als zijn viool, die vol spinrag is geraakt. De enige troost is het besef dat hij goed verdient en over zes jaar weer terug mag. Troost biedt ook hier de tabakspijp.

Fraai is het verslag over de binnenlanden. Meester Fock aanschouwt met afschuw de inwoners van het land, maar is vooral gefascineerd door de dieren. Ook zij ontsnappen niet aan zijn absurdistische pen. Zijn vrienden in het vaderland zullen dubbel gelegen hebben bij de beschrijving van de Koukebou, een diertje van grote ‘slimmigheyd’ dat tijgers, leeuwen en olifanten weet te doden door zich vast te bijten in hun ‘Testiculen’. Het weet ook kippen te verschalken. De koukebou stelt zich daartoe op bij een kippenerf, etaleert zijn vuurode aarsgat en lokt zo het nieuwsgierige pluimvee in zijn achterste om ze daar een wisse dood te laten sterven.

De ‘hertaling’ van Thomas Rosenboom is een wat vlakke en niet altijd even precieze bewerking geworden. Van Focquenbrochs komische taal, van die typisch ambtelijke toon waarmee het alledaagse wordt beschreven, van die rare wendingen is weinig overgebleven. Soms staat er ook gewoon niet wat er stond. Ondanks deze te ver doorgeschoten stroomlijning houdt Focquenbrochs tekst stand. Het staat de lezer vrij de bewerking te vergelijken met het origineel, dat in dit door Tessa van der Waals mooi vormgegeven boekje ook is afgedrukt.

Aernout van Overbeke (1632-1674) verkeerde in het milieu van Haagse, Leidse en Amsterdamse intellectuelen. Ook hij excelleerde in burleske verzen, ook hij verliet Nederland om zijn geluk elders te beproeven, maar dan in Batavia waar hij Raad van Justitie werd. Ook hij schreef brieven aan zijn vrienden. Twee daarvan zijn bewaard gebleven en enkele jaren geleden uitgegeven. Ze zijn moeilijker te begrijpen dan die van Focquenbroch omdat ze in gecondenseerde vorm veel meer nauwelijks nog te volgen toespelingen bevatten. Dat geldt ook voor een andere schriftelijke nalatenschap van Van Overbeke, een manuscript met ruim 2.000 moppen en anekdotes. Dit handschrift Anekdotoae sive historiae jocosae werd in 1991 uitgegeven door de historicus Rudolf Dekker. Hij heeft daaruit nu een selectie gemaakt.

Valt hier nu nog om te lachen?

Nauwelijks. Daar kan Van Overbeke niets aan doen en Dekker ook niet. Deze moppen dienden als geheugensteuntjes voor Van Overbeke, als een reservoir van te debiteren praatjes. Hij moet net als Focquenbroch hebben geopereerd als een stand up comedian op feesten en partijen. ‘O!’, zo verzuchtte Focquenbroch in zijn tropenhol, ‘ Hoe menigh duysentmael komen die playsierige tijdtverdrijven ... en burlesque sangen mij in den sin, dewelcke ons soo menighmael ... tot leverschuddinge toe, hebben doen lachen.’ Maar dat moppentappen gebeurde dan in de juiste ambiance, met een publiek dat de toespelingen op bijbel en mythologie begreep, en met Van Overbekes plastische presentatie. Dat alles missen wij nu, waardoor die moppen wat zielloos blijven. Deze selectie is vooral interessant omdat de lezer een indruk krijgt van die toenmalige humor, door Dekker gerubriceerd onder thema’s als ‘domheid’, slimheid’, ‘poep, pies en kots’, ‘seks’, ‘vrouwen’, ‘gekken en narren’, ‘dokters’ en ‘galgenhumor’.

Die reizen naar Afrika en Azië waren geen grap. De twee entertainers moeten echt in geldnood hebben verkeerd en de risico’s hebben gewikt en gewogen. Toevallig vertrokken ze ook vrijwel gelijk. Van Overbeke in april 1668 en Focquenbroch in juli. Ze kenden elkaar en het zou me niets verbazen als ze een afspraak hadden gemaakt om elkaar weer te ontmoeten in 1674 in herberg ’t Smoorgat in Amsterdam.

Het liep anders. Focquenbroch stierf, zoals zo vele Europeanen, al na twee jaar in Afrika. Van Overbeke keerde vervroegd terug. In 1673 noteerde hij met bevende hand zijn 2440ste en laatste mop. Kort daarop was ook voor hem de grap van het leven uit.