Katja’s Dagboek

Wat vooraf ging: Katja bekeek de wereld door de ogen van haar reisgenoot Tjalling, door zijn bril. Het is het enige wat ze nog van hem heeft. Prompt werd ze weggehoond uit de theaterzaal waar ze was beland. Ze vluchtte de zaal uit.

Er was een trap op het eind van de gang. Ik holde naar boven. Na de trap kwam nog een trap, en daarna nog een. Ik struikelde bijna, maar bleef doorrennen. De geluiden van de zaal, ik hoorde ze nog, het gefluit, het gelach, de verschrikkelijke dingen die ze riepen… Tjallings bril hing nog steeds op mijn neus. Ik graaide hem van mijn gezicht, maar bleef doorrennen. Ik moest Tjalling terug vinden. Voor het te laat was.

Ik was nu echt bezorgd over hem. Als er maar niets met hem gebeurd was. Als hij mij nog maar terug wou zien. Ik had spijt van alle keren dat ik hem had uitgescholden. Wat had ik allemaal gezegd? Dat hij dik was, sloom, een idioot, en een sukkel… Was hij expres bij me weggegaan?

Ik kwam bij de laatste trap van het trappenhuis, hijgend en zwetend. Bovenaan was een zware deur. Ik kreeg hem niet open, maar wierp toen mijn hele gewicht ertegen. Ik was… ergens buiten. Op een plat dak, bedekt met kiezels. Verderop zag ik schoorsteenpijpjes. Het waaide hard. Mijn haar fladderde om mijn hoofd. Ik liep naar de rand van het dak en keek naar beneden. Oei.

Dit was niet zomaar hoog, dit was waanzinnig hoog. In de diepte onder mij bewogen, wat waren het? Ik kon niet zien of het voertuigjes of wezens waren. Ik werd duizelig. Wat moest ik doen? De trap weer af? Maar de deur was in het slot gevallen. En ik moest er niet aan denken weer langs dat podium te moeten…

Ik ging op het dak zitten en liet de kiezels tussen mijn vingers door glijden. Tjalling. Als hij nou terugkwam, zou ik nooit meer zeggen dat hij dik was. En ook niet dat hij langzaam was, of suf. Of dat zijn kont groter was dan de mijne (wat wel zo was). Ik kruiste mijn vingers en zwoer het, hardop. Ik zou, beloofde ik plechtig, Tjalling nooit meer pesten of kattig tegen hem zijn. Als hij maar bij me terug kwam.

Op dat moment hoorde ik een krabbelend geluid, als van een poes die de kamer in wil. Ik begreep niet meteen waar het vandaan kwam. Maar toen verscheen recht voor me wat warrig blond haar boven de dakgoot. En daarna een glimmend bezweet voorhoofd. En toen twee wenkbrauwen, twee kippige ogen, twee bolle wangen. En de rest. „Tjalling!” schreeuwde ik. „Ontzettende oen, waar heb jij uitgehangen? Wie valt er nou door een spiegel met zijn dikke reet? Had je niet even kunnen waarschuwen?” Tjalling droeg een rood elastisch pak. Het zat erg strak om zijn lijf. Ik begon te lachen.

Wordt vervolgd