‘Ik heb trouw alles bewaard ’

Voor het eerst wordt het oeuvre van een Nederlandse componist opgenomen in de collectie van de Zwitserse Paul Sacher Stiftung. Louis Andriessen ruimt op.

Er is al een gedeelte van mijn muziek naar Bazel, in vier grote zwarte kisten, ooit gekocht van Defensie. Mijn kasten hier thuis raakten vol en de dozen en mappen met potloodmanuscripten van de grote composities en de opera’s stonden in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Toen het contract was getekend, kwam daar al snel een blauwe vrachtauto van de firma Gerlach, gespecialiseerd in het vervoer van kunst en antiek. In Bazel zijn nu twee musicologen bezig om alles te catalogiseren.”

Aan de Amsterdamse Keizersgracht vertelt componist Louis Andriessen (67) over de verkoop van zijn handschriften aan de Zwitserse Paul Sacher Stiftung, begin dit jaar. Het is voor het eerst dat het oeuvre van een Nederlandse componist terechtkomt in de enorme muziekverzameling van de in 1999 overleden dirigent Paul Sacher. Hij leidde het Basler Kammerorchester en gaf opdrachten aan tal van componisten, onder wie Bartók en Stravinsky. Hij was schatrijk door zijn huwelijk met de erfgename van het farmacieconcern Hoffmann-La Roche. Enkele jaren voor zijn dood was Sacher volgens het Amerikaanse zakenblad Forbes met 13,1 miljard dollar de op twee na rijkste man ter wereld. Zijn slaapkamer was een apotheek met in kasten en laden alle medicijnen van Hoffmann-La Roche. Sacher werd dan ook 93 jaar.

Andriessen: „Hierboven ligt ook nog veel muziek. Dat moet nog worden uitgezocht. Ik weet niet wat ze in Bazel allemaal willen. Ik ben trouw in het bewaren van programmaboekjes, er zijn plakboeken, recensies heb ik vaak bewaard bij de partituur. Over cd’s, video’s en dvd’s met muziek en opera’s heb ik ze niet gehoord. Het is in Bazel echt een verzameling handschriften”.

De manuscripten

van Andriessen komen te liggen naast het werk van 68 andere componisten. Door de nieuwste aankoop bestaat de collectie nu uit werk van componisten van A tot Z, van Louis Andriessen tot Ludwig Zenk. In Bazel kunnen al die collecties door musicologen worden bestudeerd.

Hoe de Paul Sacher Stiftung belangstelling voor hem kreeg, weet Andriessen niet. „Er speelde van alles dat mij wordt onthouden, denk ik. Maar er was een hoofdrol voor Tony Fell, de ex-directeur van mijn uitgever Boosey & Hawkes en zijn vrouw Janis , die altijd nogal met mij waren ingenomen. En ook de Amerikaanse componist en radiomaker Charles Amirkhanian had mij voorgedragen.

„Toen ik in Bazel ging kijken zeiden ze dat het interessant zou zijn, omdat het werk van mijn leraar Luciano Berio daar ligt. Ze hebben ook het oeuvre van Stravinsky. Ik word beschouwd als Stravinsky-kenner vanwege het boek Het Apollinisch uurwerk, dat ik samen met Elmer Schönberger over hem heb geschreven.

„Ik was in Boston voor de uitvoering van Trilogie van de Laatste Dag en gaf op Harvard een seminar over Racconto dall’ inferno, het verhaal uit de hel in mijn volgende opera La Commedia. Daar was ook Felix Meyer van de Paul Sacher Stiftung bij. Die lezing ging goed, het stuk maakte veel indruk en de vragen waren allemaal voortreffelijk. Het was een droom en mijn volzinnen rolden eruit als oneliners. Er ontstond een soort aura, en dat kan een rol hebben gespeeld bij de beslissing om mijn muziek aan te kopen.”

Wat hij voor zijn oeuvre heeft gekregen, mag Andriessen niet vertellen. „Dat is niet openbaar. Maar ik heb altijd gezegd, ook toen ik niets had, dat geld geen waarde heeft. Het zegt me weinig. Ik blijf gewoon doorwerken, tot ik dood ga, net zoals mijn vader of Stravinsky. Het componeren heeft een obsessieve kant en ook een therapeutische. Ik componeer al heel veel jaren ook ’s zaterdags en ’s zondags en op vakantie, in een tuinhuisje bij het Franse vakantiehuis van Reinbert de Leeuw.”

Andriessen werkt nu aan de filmopera La Commedia naar Dante, die volgend jaar tijdens het Holland Festival in Carré in première gaat. Het is na De Materie, Rosa en Writing to Vermeer zijn vierde stuk voor de Nederlandse Opera. Volgens artistiek directeur Pierre Audi is Louis Andriessen voor de Nederlandse Opera wat Giuseppe Verdi was voor de Scala in Milaan. Ook de manuscripten voor La Commedia gaan naar Bazel, net als al zijn toekomstige werk.

„Ik heb mijn werk zelf vrij goed bijgehouden, in een soort huishoudboek. Er is hier en daar nog wel eens een sonatinetje – ik heb wat aan verjaardagscadeautjes rondgestrooid. Alles bij elkaar schat ik dat ik tegen de tweehonderd stukken heb geschreven. Mijn eerste echte compositie was Rondo opus 1, toen was ik veertien. Dat was een aardig stukje en het zit ook in Souvenirs d’enfance. Thuis was iedereen met muziek bezig, mijn vader en mijn broer Jurriaan waren ook componisten. Toen ik acht was, begon ik aan een Tweede rapsodie. Dat vond ik stoerder dan een Eerste rapsodie.”

Dat Andriessen nu op een voestuk

wordt gezet en is gecanoniseerd zegt hem niet zoveel. Hij legt een boek op tafel. „Dit is leuk: het vierde boek over mij, The music of Louis Andriessen van de Japans-Amerikaanse musicologe Yayoi Uno Everett. Daarvan loop je een beetje naast je schoenen. En er is een heel boek alleen over De Staat. En boeken van een Italiaan en een Poolse. Je moet ze natuurlijk wel helpen en die boeken lezen en corrigeren, maar dat vind ik wel wat. Vooral omdat muziek en muziekwetenschap niet zo vriendelijk met elkaar leven. Kunst, en in het bijzonder muziek, laat zich niet vangen in definities en analyses. Als componist weet je: die noot, dat streepje is helemaal niet goed, dat moet anders. Uitgummen. Zoeken. Een andere moet toch beter zijn. Verdomd, het moet een bes zijn! Dat weet je absoluut zeker. Om de klank. Het kan met de structuur te maken hebben, maar het gaat om de klank. Het moet een bes zijn. Maar waarom? Het is een ongekende wet. Voor wetenschappers is zoiets afschuwelijk. Want als je een fuga van Bach wilt analyseren, blijkt in elke maat wel iets verkeerd te zijn. En daarom is het juist heel goed.”