‘Iedereen sidderde voor hem’

De ‘slechte manager’ Walt Disney was een imperiumbouwer die het eerste pretpark én een toekomst-stad ontwierp. ‘Rijkdom interesseerde hem niet, zegt zijn biograaf.

De geestelijke vader van Mickey Mouse en Donald Duck, de schepper van Disneyland, een gedreven vernieuwer van de animatie, een vroeg marketinggenie – dat alles was ‘Uncle Walt’ Disney (1901-1966). Maar hij was een dictator in zijn eigen bedrijf, wispelturig en onpeilbaar, rusteloos en ontevreden, aartsconservatief en een utopische visionair tegelijk. Disney werd het symbool van alles wat volgens de één goed is aan Amerika en volgens de ander slecht.

Het is een rijkgeschakeerd en lang niet altijd flatteus beeld dat oprijst uit de nieuwe vuistdikke biografie Walt Disney: The Triumph of the American Imagination van de Amerikaanse cultuurhistoricus Neal Gabler (57). Hij heeft een aantal boeken over de entertainmentwereld geschreven, zoals An Empire of Their Own: How the Jews Invented Hollywood en Life, The Movie: How Entertainment Conquered Reality. Hij is nu als gastonderzoeker aan het Norman Lear Center verbonden, een onderdeel van de University of Southern California dat zich richt op de raakvlakken van entertainment, commercie en maatschappij. Aan zijn boek over Disney heeft hij zeven jaar gewerkt, en het leest als een trein.

U bent de eerste biograaf die toegang kreeg tot de archieven van zowel het bedrijf als de persoon Disney. Welke voorwaarden werden aan u gesteld?

,,Het bestuur heeft er twee jaar over gedaan om die toestemming te geven. Ik werd opgeroepen voor een vergadering bij de studio in Burbank, in Los Angeles, om het besluit te vernemen. Daar zei Walts neef Roy E. Disney: ‘We hebben besloten je vrije toegang te geven, op één voorwaarde’. Aha, dacht ik, nu komt het. Maar die voorwaarde was: ‘Schrijf een serieus boek’. Dat was ik toch al van plan. Ik heb alle medewerking gekregen en heb geen enkele druk ervaren. Ze hebben het ook niet van tevoren gelezen.’’

Gabler heeft tienduizenden bladzijden archiefmateriaal doorgenomen en vervolgens tientallen mensen geïnterviewd die zelf met Walt Disney hadden samengewerkt. ,,De man was al heel vroeg bezig met zijn nalatenschap’’, zegt Gabler. ,,Elk briefje dat hij schreef of kreeg bewaarde hij, iedere ansichtkaart aan zijn moeder, honderden verzoeken om geld of een baan. Alle vergaderingen met de tekenaars liet hij door een stenografe vastleggen en uittypen. Voor een biograaf is dat goud waard, maar aangezien het archief nog niet volledig is geïnventariseerd is het ook om wanhopig van te worden.”

Uit uw boek blijkt dat het leiden van een bedrijf niet Disney’s sterkste kant was.

,,Zo creatief en innovatief als hij in zijn werk was, zo erbarmelijk was hij als manager. Hij gaf altijd te veel geld uit aan zijn projecten en riep dan dat zijn broer Roy maar voor het geld moest zorgen. Op den duur sloop daar een zekere tragiek in: in het begin had hij een studio nodig om de films van zijn dromen te realiseren, zoals Mickey Mouse en de eerste animatie-featurefilm Snow White (1937), later moest hij films maken om dat hele studioapparaat draaiende te houden. Het werd een molensteen om zijn nek. In de oorlog heeft hij daarom een hele serie trainings- en propagandafilms gemaakt voor het leger en de luchtmacht.

,,Hij kon zijn mensen geweldig inspireren met zijn vertel- en acteerkunst, maar hij kon ze ook helemaal afbranden waar iedereen bij was. Ze sidderden voor hem zodra ze zijn rokershoest in de verte hoorden of het getik van de nagels van zijn hond Duchess in de gang. Er was heel lang geen heldere bedrijfsstructuur, de werknemers waren aan zijn grillen overgeleverd. Hij kende ook geen loyaliteit, hooguit aan degenen die hem trouw waren gebleven toen hij nog onbekend was.

,,Hij heeft zichzelf daarmee ook in problemen gebracht: in 1941 brak er een staking uit die de studio lamlegde. Walt was ervan overtuigd dat het de schuld van de communisten was, en de rest van zijn leven was hij een felle communistenhater. Hij is ook als ‘friendly witness’ opgetreden voor de House Un-American Activities Committee van communistenvreter McCarthy, net als Gary Cooper en Ronald Reagan.’’

Een vaak gehoord verwijt aan Disney is dat hij behalve zeer rechts, ook racist en antisemiet was.

,,Ik heb er geen bewijs voor gevonden dat hij zélf racistische of antisemitische denkbeelden koesterde. Hij heeft zich bijvoorbeeld zeer ingespannen voor de zwarte hoofdrolspeler in Song of the South (1946) die volgens hem een Oscar verdiende. Hij was zich ervan bewust dat een film over zwarten in het zuiden van de VS gevoelig kon liggen en heeft het scenario laten lezen aan diverse zwarte groeperingen. Dat heeft overigens niet kunnen voorkomen dat er later toch een rel over is ontstaan. De studio heeft deze film nog steeds niet opnieuw uit willen brengen.

,,Wat het antisemitisme betreft heeft Disney zich door zijn aversie tegen communisten laten meeslepen. Zo werd hij na de oorlog lid van de Motion Picture Association die een anti-linkse maar ook duidelijk anti-joodse agenda had. Anderen hebben hem ervoor gewaarschuwd, maar hij verbond toch zijn naam eraan vanwege dat anti-linkse karakter. Hij was in wezen apolitiek. In Palm Springs had hij een buitenhuis in een ‘restricted community’ waar joden niet welkom waren. Ook al was hij naar mijn overtuiging zelf geen antisemiet, hij verzette zich ook niet tegen de heersende mores van zijn blanke protestante milieu.’’

Heeft u na al die jaren dat u intens met de persoon Walt Disney bezig bent geweest, nu het gevoel dat u hem hebt leren kennen?

,,Het was een tegenstrijdig mens, ondoorzichtig, ook voor hemzelf – hij kende geen greintje introspectie. Rijkdom en roem interesseerden hem amper, hij wilde vooral de beste in zijn vak zijn. Hij was eeuwig rusteloos en ontevreden en liep mede daardoor steeds voorop. Als eerste wist hij diepte in zijn animaties te introduceren, als eerste wist hij zijn figuren karakter en persoonlijkheid te geven. Als eerste voegde hij geluid aan cartoons toe, later ging hij als eerste met kleur werken. Daar gingen allemaal complexe technische vernieuwingen aan vooraf, daarom zat de studio steeds in geldnood.

,,Hij was ook de eerste die op het idee kwam voor een themapark. Dat wist hij gefinancierd te krijgen met weer een andere noviteit: Disney was de eersteststudio die ging samenwerken met het nieuwe medium televisie. De tv- studio ABC wilde zo graag programma’s van hem hebben dat ze veel geld in zijn themapark hebben gestoken. Overigens is het themapark vermoedelijk voortgekomen uit het idee om zijn modeltrein rond de studio te laten rijden, om van de studio zelf een attractie te maken.

,,Hij was conservatief en toch geobsedeerd door de toekomst. Kijk maar naar de attracties in Disneyland: ze zijn óf op een nostalgisch, sprookjesachtig verleden gericht, óf op de toekomst, zoals Tomorrowland – het heden speelt er geen rol. Disney zocht moderne kunstenaars op omdat zij het nieuwe vertegenwoordigen, de toekomst. Hij was ook bestuurslid was het Museum of Modern Art in New York. Voor de tekenfilm Fantasia (1940), die van een baanbrekende abstractie was, gebruikte hij muziek van onder anderen Strawinsky. Hij heeft ook ambitieuze plannen beraamd met de schrijver Aldous Huxley, de architect Frank Lloyd Wright en de schilder Salvador Dalí. Overigens hebben die tot niets geleid.’’

De laatste jaren van zijn leven was Walt helemaal begeesterd door weer een nieuw, utopisch project: het ontwerpen van de stad van de toekomst, geen pretpark maar een echte stad voor honderdduizend mensen. Eindelijk kon hij de werkelijkheid laten samenvallen met de droomwereld van zijn films. De stad zou EPCOT heten, Experimental Prototype Community of Tomorrow. De oom van Mickey Mouse was stadsplanner geworden – ,,een soort God’’, zegt Gabler – met ideeën die soms even idealistisch als reactionair waren. Men zou zich niet per auto maar per monorail verplaatsen, en het afval zou met een buizensysteem worden afgevoerd. Maar om te voorkomen dat de bewoners stemrecht kregen, en daarmee zeggenschap over ‘zijn’ stad, overwoog Walt een roulatiesysteem waarbij ze om de zoveel tijd met sabbatical zouden vertrekken.

EPCOT is niet als stad gerealiseerd, maar als een themapark met landen – of althans hun clichés – als attracties. Disney heeft het niet meegemaakt, evenmin als de bouw van themaparken in Tokio (1983), Parijs (1992) en Hongkong (2005). Dichterbij zijn droom EPCOT komt het stadje dat Disney Corp. medio jaren negentig in Florida bouwde onder de naam Celebration.

Het grootste belang van Walt Disney, en daarmee van Gablers biografie, is natuurlijk zijn betekenis als symbool voor Amerika. Zijn invloed is onschatbaar groot geweest. Alleen al in het jaar van zijn overlijden, 1966, zagen 240 miljoen mensen een Disney-film, keken er wekelijks 100 miljoen naar een Disney-tv-programma, lazen er 80 miljoen een Disney-boek en 150 miljoen een Disney-strip en bezochten er 7 miljoen Disneyland. Sovjetleider Chroesjtsjov dreigde met een escalatie van de wapenwedloop toen hij in 1959 een staatsbezoek bracht aan de VS en om ‘veiligheidsredenen’ niet naar Disneyland mocht. „Dit is een zeer ernstige aangelegenheid”, brieste hij. „Ik kan geen woorden vinden om dit aan mijn volk uit te leggen.”

„Disney heeft laten zien hoe je je wil aan de wereld kon opleggen”, zegt Gabler, „juist in een tijd waarin de wereld met de Depressie, de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog onbeheersbaar leek. Veel mensen vinden dat hij het banale en het commerciële belichaamde. Maar ook zij moeten toegeven dat hij met zijn entertainment-imperium de Amerikaanse populaire cultuur tot de dominante cultuur in de wereld heeft helpen maken.”

Neil Gabler: Walt Disney: The Triumph of the American Imagination. Random House, 880 blz. €46,–