Hallo, de aarde is rond!

Als de diepste waarheden op het spel staan, en misschien wel de zin van het bestaan, bestaat er dan nog ruimte voor humor?

Aan het eind van de jaren zeventig presenteert een filosofiestudent in de Sorbonne in Parijs het onderwerp van zijn promotieonderzoek: ‘Humor in de Frankfurter Schule’. Niemand vindt dat gek. In de zoektocht naar onderwerpen die nog ‘vrij’ zijn worden in Parijs wel onwaarschijnlijkere wegen bewandeld. Pas wanneer de eerste zin van de presentatie geklonken heeft, dringt de absurditeit ervan tot iedereen door. ‘Il n’y a pas trop d’humour dans l’École de Francfort.’ De eerbiedwaardigheid van de plaats dwingt tot ernst, maar gedempt klinkt overal gegniffel en geproest.

Wat geldt voor de denkers van de Frankfurter Schule – Adorno, Horkheimer, Marcuse en zelfs Benjamin – kan moeiteloos worden uitgebreid naar de filosofie in het algemeen. Er valt gewoonlijk niet veel humor in te ontdekken. En wanneer filosofen er een poging toe doen, gaat het vrijwel altijd mis. Zelfs Immanuel Kant kon het, in zijn Kritik der Urteilskraft eenmaal bij het thema van de lach aangekomen, niet laten een grap te debiteren. Helaas had zijn bon mot over de Engelse koopman die – door een storm op zee van al zijn handelswaar beroofd – in één nacht niet alleen al zijn haar maar ook zijn pruik grijs geworden zag, in zijn tijd waarschijnlijk al een een baard van jewelste. Kant heeft zich daarna nooit meer aan joligheid gewaagd.

Alleen de waarlijk grote schrijvers weten zich te verheffen boven de vergankelijkheid van de humor. Filosofen vindt men daar maar mondjesmaat onder. Schopenhauer behoort tot de best schrijvende denkers aller tijden, maar ook zijn humor krijgt onder zijn pessimistische pen iets grimmigs. Zijn navolger en latere tegenstander Nietzsche verging het niet anders. Hij is op zijn geestigst wanneer hij de pen gedoopt heeft in vitriool – misschien wel in de eerste plaats wanneer hij zichzelf niet spaart.

Maar ook Nietzsche is geen groot humorist, hoezeer hij in zijn filosofie er ook op blijft hameren dat lachen en vrolijkheid tot de grootste deugden van zijn Übermensch behoren. Nog minder jolig was zijn Franse volgeling Georges Bataille, die zijn hele filosofie niettemin opbouwde rond de uitzinnigheid van de schaterbui. Maar op foto’s van hem kan er nauwelijks een glimlachje af. Ooit moet hij bij een diner zij aan zij hebben gezeten met de indertijd wereldberoemde filosoof Henri Bergson, op zijn beurt schrijver van een doorwrochte studie over Le rire. Na afloop verklaarde elk van beiden spontaan de ander maar een zuurpruim te vinden.

Dat spoort met het strenge, soms zelfs azijnpisserige imago dat filosofen nu eenmaal aankleeft. Een lachende Karl Popper, Jean-Paul Sartre, Ludwig Wittgenstein of Martin Heidegger lijkt een contradictio in terminis. Toch blijken denkers achter hun droogstoppelige werken vaak uiterst aimabele mensen te zijn, verrassend ondogmatisch en vatbaar voor de komische, ja zelfs bizarre kanten van het leven. De Frans-Roemeense denker Emil Cioran spreidde in zijn aforismen een groot pessimisme ten toon over ‘het ongeluk geboren te zijn’, maar in de schaarse gefilmde interviews die er van hem bestaan zien we een levendig pratende man vol twinkelende vrolijkheid, die voor de lezer verborgen blijft achter een inktzwart oeuvre.

Dichter bij huis bezat ook de Nederlandse filosoof Cornelis Verhoeven de reputatie van een ernstig, bijna vroom denker die het ten enen male aan wereldwijze brille ontbrak. Maar wie hem kende wist dat achter zijn bedachtzaamheid een verwoestende ironie schuilging, té subtiel en scherpzinnig om te worden onderkend door het grovere humorgevoel van randstedelijke columnisten.

Filosofen vragen van hun lezers een bijzondere inspanning om achter de ernstige façade van hun werk de geestigheid te ontdekken die daar volgens hun beroepsethos helemaal niet lijkt thuis te horen. Er staan hier immers grote dingen op het spel en iedereen ziet het er graag serieus aan toe gaan wanneer de diepste waarheden en misschien zelfs de vervulling van hun leven aan de orde komen. Dan kost het wat moeite in het werk van de diep gekwelde Kierkegaard de humor te zien waarmee hij kon schrijven over de dingen die ook hem het diepst ter harte gingen.

Want ook Kierkegaard vertelt grappen – en dat doet hij beter dan Kant. Zoek in je leven altijd naar je persoonlijke weg om zalig te worden, zo houdt hij als existentialist-avant-la-lettre zijn lezers voor. Want alles wat als algemene waarheid geldt (wetenschap, wetten, praktisch fatsoen) heeft daarvoor geen enkele betekenis. En hij vertelt een anekdote over een gek die uit zijn gesticht is ontsnapt en bedenkt dat hij, wil hij niet onmiddellijk worden opgepakt, geen wartaal mag uitslaan. Hij neemt zich voor alleen nog maar ‘algemene waarheden’ te berde te brengen, roept iedereen die hij op zijn weg tegenkomt toe: ‘Hallo, de aarde is rond!’ – en zit binnen de kortste keren weer achter de tralies.

Hoe grappig een filosoof kan zijn is afhankelijk van de vraag hoe goed de lezer hem begrijpt. Wie in Angelsaksische verhandelingen de gedachtenexperimenten leest waarin de meest bizarre wezens of situaties worden beschreven, vraagt zich – zolang hij daaraan niet gewoon is geraakt – regelmatig af hoe ernstig dit alles nu bedoeld is en vooral: wat een dergelijke Monty Pythonachtige santenkraam in ’s hemelsnaam bewijst.

Anderzijds trachtte de Franse filosoof Jacques Derrida een aanval van zijn Amerikaanse collega Searle ooit te pareren door diens naam om te buigen tot SARL (‘naamloze vennootschap’ in het Frans) en diens hele artikel in zijn eigen stuk te citeren. Het ging tenslotte om de vraag in hoeverre iemands woorden zijn eigendom zijn en hoe ver het auteursrecht daarvan strekt. In Derrida’s ogen moet die vondst bijzonder geestig zijn geweest, maar aan de andere zijde van de oceaan werd daar anders over gedacht. ‘Derrida isn’t serious’, mopperde Searle en categorisch verbood hij de herdruk van zijn artikel in een bundel die de hele discussie zou samenvatten. Ook dáárin zagen sommigen een hoogtepunt van ironie.

De geestigheid van de één is niet die van de ander – in de filosofie misschien nog wel minder dan elders. Tenslotte zijn het, op het scherp van de intellectuele snede, altijd de anderen in het debat die het aan gevoel van humor ontbreekt. Lachen is een knipoog van verstandhouding, en die is niet tussen iedereen gegeven. Misschien vonden de leden van de Frankfurter Schule elkaar ook wel dolkomisch.